Kinderen van 4 jaar oud die naar de kleuterschool gaan zonder een woord Nederlands te spreken. VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff ligt er echt wakker van. Daarom stelde hij in de Tweede Kamer voor om dubbel zo zwaar te straffen in de wijken waar deze kinderen opgroeien. De rest van de Kamer snapte er niets van, maar dat geeft niet want het hele probleem van die 4-jarige kinderen bestaat niet, legde taalkundige Marc van Oostendorp uit (lees verder onder filmpje).
Stomtoevalligerwijs las ik even later in Een Russische roman van Emmanuel Carrère dat zijn moeder Hélène (Carrère d'Encausse) als dochter van een Russische moeder en Georgische vader weliswaar in Frankrijk groot werd, maar tot haar 4de geen woord Frans sprak. "In de emigrantengemeenschap waarin ze opgroeit, wordt Russisch gesproken, alleen Russisch."
Pas tijdens een vakantie in Frans gezelschap maakt ze zich de taal van haar stiefmoederland eigen, "en goed ook", schrijft Carrère (ze schopte het zelfs tot secretaris van de Académie française). "Met het gevolg dat als ze in september terugkomt, ze het Russich vrijwel helemaal is vergeten - dat ze evenwel binnen enkele dagen weer onder de knie heeft."
Dat laatste zou een vrijheid van de schrijver kunnen zijn, of missschien ook wel niet, maar dat wil Marc van Oostendorp in een Youtube-sequel vast nog wel even ophelderen.
maandag 8 oktober 2018
dinsdag 8 augustus 2017
Goddeloos, maar godvrezend
'Ik zal mezelf nooit een atheïst noemen. De ontkenning is toch een erkenning van het mogelijke bestaan van God', schreef ik een paar jaar geleden op deze plek. Net zoals de vloek een gebed is, kan ik eraan toevoegen.
Ik kwam erop door een oude uitspraak van John Cruijff. "Ik heb nooit gereageerd op de zwembadaffaire omdat ontkennen ook een vorm van toegeven is." Cruijff heeft nooit iets kwijt gewild over de verhalen dat hij samen met teamgenoten en halfnaakte meisjes het zwembad van hun hotel was ingedoken tijdens het WK Voetbal in 1974 in Duitsland
Cruijff zal Curzio Malapartes onvoltooide roman Het bal in het Kremlin niet hebben gelezen. Die verscheen pas dit jaar in vertaling. Maar Cruijff zou zich hebben herkend in het ongemakkelijk gevoel dat de schrijver bekroop toen hij zich begin jaren 30 begaf onder de revolutionaire adel van Sovjet-Rusland. Die was goddeloos, maar godvrezend tegelijkertijd.
'Ik voelde me ongemakkelijk, omdat ik voelde dat in Rusland, waar God werd ontkend en vaak lomp en luid, met een dierlijke verbetenheid werd beledigd, de aanwezigheid van God tastbaarder was dan in Europa, dat zelfs die kracht om God te ontkennen was kwijtgeraakt, die toch een manier is om hem te bevestigen, aan te roepen, lief te hebben.'
Ik kwam erop door een oude uitspraak van John Cruijff. "Ik heb nooit gereageerd op de zwembadaffaire omdat ontkennen ook een vorm van toegeven is." Cruijff heeft nooit iets kwijt gewild over de verhalen dat hij samen met teamgenoten en halfnaakte meisjes het zwembad van hun hotel was ingedoken tijdens het WK Voetbal in 1974 in Duitsland
Cruijff zal Curzio Malapartes onvoltooide roman Het bal in het Kremlin niet hebben gelezen. Die verscheen pas dit jaar in vertaling. Maar Cruijff zou zich hebben herkend in het ongemakkelijk gevoel dat de schrijver bekroop toen hij zich begin jaren 30 begaf onder de revolutionaire adel van Sovjet-Rusland. Die was goddeloos, maar godvrezend tegelijkertijd.
'Ik voelde me ongemakkelijk, omdat ik voelde dat in Rusland, waar God werd ontkend en vaak lomp en luid, met een dierlijke verbetenheid werd beledigd, de aanwezigheid van God tastbaarder was dan in Europa, dat zelfs die kracht om God te ontkennen was kwijtgeraakt, die toch een manier is om hem te bevestigen, aan te roepen, lief te hebben.'
donderdag 23 maart 2017
Derek Walcott: lichtelijk kwaadaardig
's Ochtends begon ik in een middagkrant aan een necrologie van Derek Walcott (die ik na de woorden 'de Homerus van de Cariben' verder ongelezen liet), 's middags kwam ik stomtoevalligerwijs de dode dichter opnieuw tegen. In een boekhandel bladerde ik door de Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman, en daar trof ik Walcott, nog in levenden lijve: in het Plaza Hotel in Brussel met zijn vrouw en met poëziemandarijn Kwakman (directeur van Poetry International). In Hotelkamerverhalen vertelt Kwakman wat hij meemaakte met dichters en collega-mandarijnen over de hele wereld.
Over de doden niets dan goeds, maar toen Kwakman zijn bundel bij de uitgever inleverde, zat Walcott nog gewoon springlevend op het strand van Saint Lucia over de zee te staren, dus wat lette de poëziedirecteur om eens een boekje over de Nobelprijswinnaar open te doen. En dan blijkt het woord 'nobel' wel erg slecht te passen bij de gelauwerde dichter. In zijn blog over Hotelkamerverhalen heeft uitgever Peter Nijssen het nog over 'het stupide, lichtelijk kwaadaardig gekissebis van Derek Walcott en zijn echtgenote' dat Kwakman optekende. maar ook de poëziefestivaldirecteur zelf krijgt de volle laag van de chagrijnige Nobelprijswinnaar.
Maar dat is nog niet alles: Walcott blijkt ook een leugenaar en eigenlijk gewoon een ordinaire oplichter die met een heel erg grote smoes ooit afzegde voor Kwakmans festival, nadat hij wel even geld voor zijn optreden had gevangen. De dichter beweerde bij een overval alles te zijn kwijtgeraakt: optreden zat er niet meer in en hij keerde meteen terug naar Saint Lucia om op het strand over de zee te gaan zitten staren. Kwakman slikte het verhaal voor zoete koek - wat kon hij anders. Walcotts uitvluchten haalden zelfs de krant. Tot hij een jaar later van dichter Seamus Heany hoort dat hij niet de eerste festivaldirecteur is die deze gigasmoes van Walcott te horen kreeg.
Wanneer de eerste bladzijde van een roman van kersvers Kamerlid Thierry Baudet heel wat literair-correct stof doet opwaaien (de vreselijke romanheld valt heus niet samen met zijn schepper!), mogen we de festivaldirecteur uit een verhalenbundel toch niet een op een identificeren met een festivaldirecteur die zijn belevenissen optekende. Net zomin als de 'Homerus van de Cariben' een op een samen hoeft te vallen met het gelijknamige verhaalpersonage Derek Walcott uit de bundel van Kwakman.
Die Kwakman kan als schrijver de ankers van de realiteit lekker los hebben gegooid en zijn grote dichtersduim in zijn mond hebben gestoken: in het echt was Walcott natuurlijk een heel aardige, beschaafde man die maar liefst twee keer slachtoffer werd van een overval en zijn vrouw is een heel vervelend mens dat ontzettend kan zeuren, en de festivaldirecteur die met hem aanpapte in een hotel in Brussel is een dichter die 'lichtelijk kwaadaardig' van alles uit diezelfde grote duim zuigt.
De dode dichter heeft geen weerwoord, en dat is maar goed ook, want zelfs een persoon van vlees en bloed die afstand wil nemen van zijn dubbelganger van inkt en papier, komt van een koude kermis thuis. De vader van Emma Curvers wilde het debuut Iedereen kan schilderen van zijn dochter uit de winkel hebben omdat hij er in de roman nogal slecht vanaf kwam. Niet iedereen kan zomaar van alles schrijven, vond hij, maar daar oordeelde de rechter anders over. Het romanpersonage viel niet volledig samen met pa Curvers: zijn dochter had er van alles bij verzonnen. Dus was het gewoon fictie en mocht het boek in de winkel blijven liggen. Pa haalde opgelucht adem: hij kwam toch niet echt in de roman van zijn dochter voor.
Dan kun je Kwakmans voorwoord ook zien als een disclaimer voor boze dichters die de publicatie van zijn Hotelkamerverhalen wél kunnen navertellen: vinden zij dat Kwakman hun eventuele 'lichtelijk kwaadaardige' trekjes wat al te veel heeft uitvergroot, dan kan de poëziemandarijn zich altijd beroepen op zijn dichterlijke vrijheid. Geen dichter die daar bezwaar tegen kan hebben.
Over de doden niets dan goeds, maar toen Kwakman zijn bundel bij de uitgever inleverde, zat Walcott nog gewoon springlevend op het strand van Saint Lucia over de zee te staren, dus wat lette de poëziedirecteur om eens een boekje over de Nobelprijswinnaar open te doen. En dan blijkt het woord 'nobel' wel erg slecht te passen bij de gelauwerde dichter. In zijn blog over Hotelkamerverhalen heeft uitgever Peter Nijssen het nog over 'het stupide, lichtelijk kwaadaardig gekissebis van Derek Walcott en zijn echtgenote' dat Kwakman optekende. maar ook de poëziefestivaldirecteur zelf krijgt de volle laag van de chagrijnige Nobelprijswinnaar.
Maar dat is nog niet alles: Walcott blijkt ook een leugenaar en eigenlijk gewoon een ordinaire oplichter die met een heel erg grote smoes ooit afzegde voor Kwakmans festival, nadat hij wel even geld voor zijn optreden had gevangen. De dichter beweerde bij een overval alles te zijn kwijtgeraakt: optreden zat er niet meer in en hij keerde meteen terug naar Saint Lucia om op het strand over de zee te gaan zitten staren. Kwakman slikte het verhaal voor zoete koek - wat kon hij anders. Walcotts uitvluchten haalden zelfs de krant. Tot hij een jaar later van dichter Seamus Heany hoort dat hij niet de eerste festivaldirecteur is die deze gigasmoes van Walcott te horen kreeg.
Hork
Maar was die Walcott nou echt zo'n hork? Kwakman mag dan wel putten uit de notities en tekeningen die hij maakte tijdens zijn ontmoetingen met dichters in hotels, hij schreef wel een bundel vol verhálen, fictie dus, verzonnen. Dit zegt hij er zelf over in het voorwoord van Hotelkamerverhalen: "Uit de tekeningen en notities zingen zich verhalen los. Fictie, grotendeels verankerd in de realiteit." Die ellenlange dialoog tussen de echtelieden Walcott zal Kwakman heus niet letterlijk uit zijn hoofd weten te reproduceren: daar moet toch enige verbeelding aan te pas zijn gekomen. "Aan het ongelooflijk grenzende verhalen", schrijft Nijssen niet voor niets in zijn blog.Wanneer de eerste bladzijde van een roman van kersvers Kamerlid Thierry Baudet heel wat literair-correct stof doet opwaaien (de vreselijke romanheld valt heus niet samen met zijn schepper!), mogen we de festivaldirecteur uit een verhalenbundel toch niet een op een identificeren met een festivaldirecteur die zijn belevenissen optekende. Net zomin als de 'Homerus van de Cariben' een op een samen hoeft te vallen met het gelijknamige verhaalpersonage Derek Walcott uit de bundel van Kwakman.
Die Kwakman kan als schrijver de ankers van de realiteit lekker los hebben gegooid en zijn grote dichtersduim in zijn mond hebben gestoken: in het echt was Walcott natuurlijk een heel aardige, beschaafde man die maar liefst twee keer slachtoffer werd van een overval en zijn vrouw is een heel vervelend mens dat ontzettend kan zeuren, en de festivaldirecteur die met hem aanpapte in een hotel in Brussel is een dichter die 'lichtelijk kwaadaardig' van alles uit diezelfde grote duim zuigt.
Oplichter
Maar waarom Kwakman dat zou doen? Omdat hij zich belazerd voelt? Uit wraak? Wie nagelt zonder gegronde reden een groot dichter als een groot oplichter aan de schandpaal? Niemand toch? Dan zal de echte Walcott de echte Kwakman inderdaad wel een loer hebben gedraaid, en heeft de schrijver Kwakman de boel toch niet helemaal bij elkaar verzonnen, zat zijn anker toch wel stevig vast in de realiteit?De dode dichter heeft geen weerwoord, en dat is maar goed ook, want zelfs een persoon van vlees en bloed die afstand wil nemen van zijn dubbelganger van inkt en papier, komt van een koude kermis thuis. De vader van Emma Curvers wilde het debuut Iedereen kan schilderen van zijn dochter uit de winkel hebben omdat hij er in de roman nogal slecht vanaf kwam. Niet iedereen kan zomaar van alles schrijven, vond hij, maar daar oordeelde de rechter anders over. Het romanpersonage viel niet volledig samen met pa Curvers: zijn dochter had er van alles bij verzonnen. Dus was het gewoon fictie en mocht het boek in de winkel blijven liggen. Pa haalde opgelucht adem: hij kwam toch niet echt in de roman van zijn dochter voor.
Dan kun je Kwakmans voorwoord ook zien als een disclaimer voor boze dichters die de publicatie van zijn Hotelkamerverhalen wél kunnen navertellen: vinden zij dat Kwakman hun eventuele 'lichtelijk kwaadaardige' trekjes wat al te veel heeft uitvergroot, dan kan de poëziemandarijn zich altijd beroepen op zijn dichterlijke vrijheid. Geen dichter die daar bezwaar tegen kan hebben.
woensdag 26 oktober 2016
Elisabethje en Egidius
Echt schokkend, vindt Juliana-biograaf Jolande Withuis het briefje uit 1936 van de kroonpinses aan haar vriendin Nelke Clay.
Juliana schrijft over Nelkes verdronken dochtertje Elisabethje:
En wat is een kort en gelukkig leven een voorrecht voor haar, dat ze heeft boven ons. Al hebben jij en ik ook daarnaast nog zoveel geluk gevonden in ons leven, zij heeft helemaal nooit geen leed gekend.
Wrange woorden van troost, maar de gedachtegang is zo vreemd nog niet, althans: dat de gestorvene beter af is, valt ook al te beluisteren in het rondeel 'Egidius, waer bestu bleven', dat bewaard is gebleven in het veertiende-eeuwse Gruuthuse-handschrift. De dichter treurt om de dood van zijn vriend Egidius, maar lijkt ook wel een tikkeltje jaloers.
Nu bestu in den troon verheven
Claerre dan der zonnen scijn
Alle vrucht es dei ghegheven
Hij wel, met zijn mooie plekje in het hiernamaals, maar ik niet, denkt de dichter: ik moet nog ploeteren in het leven van alledag, terwijl het ergste nog moet komen:
Nu bidt vor mi: ic moet noch sneven
Ende in de weerelt liden pijn.
Niet alleen heeft Egidius het sterven al achter de rug - waar de dichter kennelijk nogal tegenop ziet - ook heeft hij al het wereldse leed voor altijd achter zich kunnen laten. Net als de kleine Elisabethje.
woensdag 13 juli 2016
Duivels toeval
Een paar jaar geleden schreef ik op deze plaats over een kerkelijk leider die de goede afloop van een dreigende ramp toeschreef aan het toeval of aan God. Ging de man gebukt onder een geloofscrisis? Waarom het toeval aanroepen als je in God gelooft? Wat moesten de kerkgangers daar wel van denken!
In Plotseling, liefde van Aharon Appelfeld weet de eerbiedwaardige Efrajim het wel beter tijdens de rouw om de grootvader van de hoofdpersoon. Alles komt van God. "Niets in deze wereld is toeval. Toeval is de uitvinding van de duivel."
In Plotseling, liefde van Aharon Appelfeld weet de eerbiedwaardige Efrajim het wel beter tijdens de rouw om de grootvader van de hoofdpersoon. Alles komt van God. "Niets in deze wereld is toeval. Toeval is de uitvinding van de duivel."
vrijdag 8 juli 2016
Van de leeuwerik, de merel en de dood
Iedereen heeft er wel één: een eerste herinnering. Maar bijna
niemand weer zeker of dit ook echt het moment was dat gebeurtenissen niet
langer spoorloos verdwenen in het eigen verleden, maar zich
ergens in je hersenen begonnen te nestelen: het begin van je eigen geheugen.
In The
beginning of memory heeft Laurie Anderson het niet over haar eigen eerste
herinnering, maar over de allereerste herinnering ooit. Ze gaat ze nog veel verder terug, naar de schepping van het geheugen.
And it's a short story
from before the world began
From a time when
there was no earth, no land.
Geen aarde, geen land, maar in dit geheel eigen scheppingsverhaal is er al wel een
lucht, en die lucht is vol met vogels. Als op een dag de vader van een van die
vogels overlijdt, staat deze leeuwerik voor een onmogelijke opgave: waar moet
ze haar vader begraven, want er is nog geen aarde en dus geen land.
Luister naar de
oplossing:
She decided to
bury her father in the back of her own head.
And this was the beginning of memory.
Een vogel in je achterhoofd die daar altijd blijft zitten: een herinnering. Kende Laurie Anderson Jan Eijkelboom, en zijn gedicht 'Tuin Dordrechts Museum' uit zijn bundel Wat blijft komt nooit terug? Vast niet, maar ook de Dordtse dichter ziet een vogel als zetel van herinnering. De zang van een merel doet hem denken aan zijn dood, en aan de herinnering die het gezang van diezelfde vogel bij zijn zoon zal oproepen.
En als ik dan toch onder de zoden lig
dan zal mijn zoon nog eens
een merel net zo horen klinken
op net zo'n late voorjaarsdag.
En hij zal weten wie ik was
en ach, een vogel weet van niets.
zondag 24 januari 2016
De zonde van de zon
Eerder schreef ik hier over de machteloosheid van de schilder: Bavink uit Nescio's Titaantjes. Hij slaagt er maar niet om grote, rode zon op zijn witte doek te krijgen, vertelt de "wijs en bedaard" geworden Koekebakker:
"Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte: 'God, God, dat schilder ik nooit.'"
Hij had het bij het rechte eind:
"Bavink heeft 't tegen die 'Godverdomde dingen' afgelegd. De dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: 'dan moet 't ook maar gebeuren', dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken, toen de strijd al op ' t eind liep."
In De schilder en het meisje van Margriet de Moor komt een oudere schilder voor (waarschijnlijk Samuel van Hoogstraeten, leerling van Rembrandt) die het schilderen van de zon niet alleen als onmogelijk ziet, maar er zelfs nooit aan zou beginnen:
"De zon is een verbod in de schepping. Een heel groot taboe, ook voor ons. Zoals je ooglenzen hem niet aankunnen, zo kunnen je verven dat evenmin. Moet je je bij neerleggen. De zon proberen te schilderen is net zoiets als hem met je oog willen bekijken: het werk van een gek."
Onmacht
Nescio maalde drie eeuwen later natuurlijk niet om "een vebod in de schepping". Hij slaagde er wel in het licht en het water van zijn land te vangen, en dan precies zo dat het zijn gemoedstoestand weerspiegelde. Slaagde Nescio waar Bavink faalde? Hij werd niet mal en we lezen hem nog steeds.
Komt t omdat Nescio beter schreef dan Bavink schilderde? Of legt het beeld het altijd af tegen het woord? In haar gedicht 'Zomereinde aan de Leie' vraagt Miriam van Hee zich af hoe een schilder de gedachten, afstanden en herinneringen weergeeft die zij haast in een moeite door met een paar woorden optekent:
dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen
het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep
hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand
(uit: ‘Buitenland’, De Bezige Bij, 2007)
Maar de taal - is die dan altijd toereikend? Hans Andreus vond van niet, schreef hij in de eerste twee regels van 'Luisterapparaat'.
"Er is geen naam die klopt,
geen woord dat niet vroeg of laat uiteenvalt."
De dichter doet zijn werk, maar kent zijn beperkingen:
"het beste woord dat ik kan geven is
een luisterapparaat voor een geweldige stilte."
Hij had het bij het rechte eind:
"Bavink heeft 't tegen die 'Godverdomde dingen' afgelegd. De dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: 'dan moet 't ook maar gebeuren', dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken, toen de strijd al op ' t eind liep."
Nescio maalde drie eeuwen later natuurlijk niet om "een vebod in de schepping". Hij slaagde er wel in het licht en het water van zijn land te vangen, en dan precies zo dat het zijn gemoedstoestand weerspiegelde. Slaagde Nescio waar Bavink faalde? Hij werd niet mal en we lezen hem nog steeds.
Komt t omdat Nescio beter schreef dan Bavink schilderde? Of legt het beeld het altijd af tegen het woord? In haar gedicht 'Zomereinde aan de Leie' vraagt Miriam van Hee zich af hoe een schilder de gedachten, afstanden en herinneringen weergeeft die zij haast in een moeite door met een paar woorden optekent:
dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen
het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep
hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand
(uit: ‘Buitenland’, De Bezige Bij, 2007)
Maar de taal - is die dan altijd toereikend? Hans Andreus vond van niet, schreef hij in de eerste twee regels van 'Luisterapparaat'.
"Er is geen naam die klopt,
geen woord dat niet vroeg of laat uiteenvalt."
De dichter doet zijn werk, maar kent zijn beperkingen:
"het beste woord dat ik kan geven is
een luisterapparaat voor een geweldige stilte."
vrijdag 1 januari 2016
Zoon fietst (niet) tegen vader op
Deze week fietste ik achter een man en een kleine jongen,
vader en zoon, dat kon haast niet anders. Het jochie fietste aan de binnenkant,
lekker veilig, zoals dat hoort. Bij de volgende zijstraat sloeg het zoontje rechtsaf.
Richting mijn huis, dus ging ik hem achterna.
Maar het ventje aarzelde, begon te slingeren toen hij over
zijn schouder naar pa keek. Die was rechtdoor gefietst.
Misverstand. Toen ik even later mijn fiets vastmaakte aan
het hek voor mijn huis, kwamen de twee weer langs, druk pratend. Pa was zoon
achterna gegaan.
Misverstand. Dat deed me denken aan 19 juni 1974. Die datum
heb ik niet onthouden, maar even opgezocht, want wat ik me nog wel herinner: het
was de avond van Nederland-Zweden, de tweede wedstrijd van Oranje op het wereldkampioenschap in Duitsland.
Een mooie zomeravond die begon in bed, niet voor de
televisie. Mijn vader had me kwaad naar boven gestuurd. Dat was nog nooit
gebeurd en zou ook nooit meer gebeuren. Allemaal door een misverstand. Over de
route die we moesten nemen.
Als ik toen achter mezelf had gefietst, had ik een man en
een jongen gezien, vader en zoon, dat kon niet anders. Een dertiger met een
jongen van een jaar of tien.
Dan had ik mezelf aan de binnenkant zien fietsen, zoals dat
hoort, lekker veilig. De twee rijden over een fietspad tussen een bos en een woonwijk. Aan het
eind van het fietspad ligt een kleine rotonde. Je kunt er links, en je kunt er
rechts.
De jongen gaat links. Dat doet hij altijd op dat punt, op de
terugweg van het zwembad naar zijn school. De man gaat rechts, dat doet hij
altijd als hij naar huis fietst vanaf zijn werk. De jongen rijdt rechts van de man, maar gaat op die rotonde
links. Zijn voorwiel raakt het achterwiel van zijn vader. Misverstand.
Niet erg, afgezien van de slag in het achterwiel van de man.
Wel erg, want het wiel is zo misvormd dat fietsen er nauwelijks meer in zat.
Nog erger: de man maakt zijn allereerste ritje op de fonkelnieuwe fiets, die
hij net bij de winkel heeft opgehaald, na zijn werk.
Achter mezelf aan fietsen was er al lang niet meer bij. Hoe we naar huis gekomen zijn, weet ik niet meer. Naast
elkaar, zwijgend? Ik denk dat mijn vader me vooruit heeft gestuurd, hij sleepte
zijn fiets naar huis, met een achterwiel dat niet meer wilde draaien. En stuurde me na thuiskomst meteen naar bed.
Door de gordijnen scheen nog de zon, in Duitsland zaten de spelers natuurlijk al lang in de kleedkamer, misschien had De Generaal zijn manschappen al het veld opgestuurd.
Toen mijn vader een beetje was uit getreurd over zijn fiets
kwam hij bij me. Ik mocht er weer uit, voetbal kijken. Het wereldkampioenschap
van 1974 was het eerste voetbal dat ik echt volgde.
Nederland-Zweden dus, in Dortmund, toch nog. Wat was ik blij dat ik mocht kijken: 0-0.
maandag 3 augustus 2015
Fongers naast Fongers
In een vreemde stad rijdt M. graag op zijn eigen fiets. Dus neemt hij 'm mee in de trein. Bestemming Den Haag ditmaal.
Hij stalde zijn antieke Fongers tegen een boom op Het Plein. Aan de andere kant van de boom stond al een fiets geparkeerd. Ook een Fongers. Ook een antiek exemplaar.
Fongers is een Groningse fiets, de fabriek is al bijna vijftig jaar dicht. Wat doen die twee Groningse fietsen zomaar naast elkaar op Het Plein in Den Haag?
Dan duikt de eigenaar van de andere Fongers op, een jonge vrouw die pas acht op ons slaat als M. haar aanspreekt: "Jij hebt een Groningse fiets." Ze zegt even niets terug, stapt op en terwijl ze wegfietst de Lange Poten op: "Ik kom uit Groningen."
Dat verklaart alles. En haar jas. Ze heeft de fiets uitgezocht bij haar jas: grijsgroen.
zondag 26 juli 2015
Mijn herinnering als hond (2)
"Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil", schrijft Cees Nooteboom in Rituelen als Inni Wintrop zich de beurskoersen herinnert van de dag dat hij zich probeerde te verhangen op de wc.Ruim drie jaar geleden vroeg ik me al af of Nooteboom het werk kent van de negentiende-eeuwse Franse schrijver Jules-Amédée Barbey d'Aurevilly. Ik zag toen de Portugese film A vingança de uma mulher (A woman's' Revenge) van Rita Azevedo Gomes. Haar film was gebaseerd op Barbey d'Aurevilly's bundel Les diaboliques. Daarin staan verhalen over vrouwen die een misdaad begaan of wraak nemen.
Azevedo Gomes koos voor haar verfilming voor de dame die hoer wordt uit wraak: manlief heeft haar minnaar door pijlen laten doorboren en zijn hart aan een hond gevoerd. Een van de hoofdpersonen mijmert over vroeger en merkt op dat de herinnering een hond is die aan je voeten knielt.
A vinganca de uma mulher kan Cees Nooteboom natuurlijk niet gezien hebben toen hij Rituelen scheef. Maar zou hij bekend zijn met de verhalen van Barbey d'Aurevilly? Heel misschien. Of iets waarschijnlijker: met Emil und die Detektive van Erich Kästner. Dit kinderboek verscheen niet lang voor Nootebooms geboorte. Bij Kästner lopen herinneringen ook als honden rond:
"Denn mit den Gedanken und mit den Erinnerungen, die sich uns nähern, ist es wie mit verprügelten Hunden. Wenn man sich zu hastig bewegt oder etwas zu ihnen sagt,oder wenn man sie streicheln will - schwupp, sind sie weg!"
En wie zou David Van Reybrouck dan allemaal wel gelezen hebben? Nooteboom misschien, die komt het dichtst in de buurt. Want ook in Van Reybroucks debuutroman Slagschaduw duikt-ie weer op, die herinnering in de gedaante van een hond:
"Altijd maar dat geheugen dat knaagt en jankt als een hond in de nacht."
(Met dank aan Ronald Giphart, die de stomtoevallige overeenkomst tussen Nooteboom en Kästner signaleerde in Planeet Literatuur)
donderdag 9 juli 2015
Tweemaal dof is doffer
Deze week sloeg het toeval weer eens toe.
's Ochtends keek ik op van de ontbijttafel toen ik een dofffe bons hoorde. Op het hekwerk van mijn balkon zat een duif, rustig, alsof hij zojuist niet tegen het glas in mijn balkondeuren was gevlogen.
's Middags las ik in een boekhandel de eerste (mooie) anderhalve bladzijdes van Slagschaduw van David Van Reybrouck, opnieuw uitgegeven.
Weer een duif. Weer tegen een ruit, na een achtervolging door een kraai.
"Toen gebeurde het. Net toen de duif helemaal leek te ontsnappen, spatte hij uiteen tegen het terrasraam van het vierde visrestauarant van de Baksteenkaai. Een doffe klap."
's Ochtends keek ik op van de ontbijttafel toen ik een dofffe bons hoorde. Op het hekwerk van mijn balkon zat een duif, rustig, alsof hij zojuist niet tegen het glas in mijn balkondeuren was gevlogen.
's Middags las ik in een boekhandel de eerste (mooie) anderhalve bladzijdes van Slagschaduw van David Van Reybrouck, opnieuw uitgegeven.
Weer een duif. Weer tegen een ruit, na een achtervolging door een kraai.
"Toen gebeurde het. Net toen de duif helemaal leek te ontsnappen, spatte hij uiteen tegen het terrasraam van het vierde visrestauarant van de Baksteenkaai. Een doffe klap."
zondag 3 mei 2015
Genot na lijden
In de Volkskrant vertelt Jan van der Liet (88) over zijn verblijf in het 'vergeten' concentratiekamp Neuengamme, in de buurt van Hamburg. Van der Liet was tegen de lamp gelopen toen hij illegale papieren bij zich had. Nadat de Duitsers het kamp hadden ontruimd, lukte het hem om zich bij een Russisch transport aan te sluiten:
"Na een dodenmars van dagen brachten Russische geallieerden hem naar een landhuis aan de Plauer See. Wat hij daar voelde, zegt hij, is niet in woorden te vangen. Een warm bad, schone kleren; een uitgeteerde Hollandse jongen in een Duits tweepersoonsbed. Hij sliep 24 uur. Het was 3 mei 1945; in de spiegel herkende hij zijn eigen gezicht niet meer."
De lotgevallen van Lex van Praag zullen Van der Liet bekend voor zijn gekomen. Onder het pseudoniem Hellema lukte het Van Praag wél heel goed om in woorden te vangen wat hij voelde in omstandigheden die sprekend lijken op wat Van der Liet overkwam, onder meer in zijn verhalenbundel Langzame dans als verzoeningsrite (1982). Dit schrijft hij over zijn hoofdpersoon, die ook Hellema heet en na de oorlog herstelt in het Bezirkskrankenhaus in Wörth an der Donau: "Als ik nog naar de spiegel greep, was het om de dood in mijn gezicht uit te lachen."
Ook voor Hellema was er een dodenmars, na verzetswerk en een lange reeks concentratiekampen. Flossenbürg , in noordoost-Beieren, was de laatste, zo mogelijk nog meer vergeten dan Neuengamme. Ook Hellema, "een onnozele tachtig pond mens", lag uren voor pampus in bed, met ook voor hem de weelde van alledaagse zaken die na maanden van ontbering aanvoelden als de grootste luxe:
"Na een dodenmars van dagen brachten Russische geallieerden hem naar een landhuis aan de Plauer See. Wat hij daar voelde, zegt hij, is niet in woorden te vangen. Een warm bad, schone kleren; een uitgeteerde Hollandse jongen in een Duits tweepersoonsbed. Hij sliep 24 uur. Het was 3 mei 1945; in de spiegel herkende hij zijn eigen gezicht niet meer."
De lotgevallen van Lex van Praag zullen Van der Liet bekend voor zijn gekomen. Onder het pseudoniem Hellema lukte het Van Praag wél heel goed om in woorden te vangen wat hij voelde in omstandigheden die sprekend lijken op wat Van der Liet overkwam, onder meer in zijn verhalenbundel Langzame dans als verzoeningsrite (1982). Dit schrijft hij over zijn hoofdpersoon, die ook Hellema heet en na de oorlog herstelt in het Bezirkskrankenhaus in Wörth an der Donau: "Als ik nog naar de spiegel greep, was het om de dood in mijn gezicht uit te lachen."
Luxe
Ook voor Hellema was er een dodenmars, na verzetswerk en een lange reeks concentratiekampen. Flossenbürg , in noordoost-Beieren, was de laatste, zo mogelijk nog meer vergeten dan Neuengamme. Ook Hellema, "een onnozele tachtig pond mens", lag uren voor pampus in bed, met ook voor hem de weelde van alledaagse zaken die na maanden van ontbering aanvoelden als de grootste luxe:
"Als ik bijkwam had ik alle begrip van plaats en tijd verloren, ja zelfs mijn identiteit kon ik enkele malen slechts met moeite achterhalen. Maar er was een sleutel: de onuitsprekelijke verrukking weer in een gewoon bed tussen schone witte lakens te liggen."
donderdag 12 maart 2015
Tafelmanieren
Zou Luis Buñuel bekend zijn geweest met het werk van W.F.Hermans? Met De tranen der acacia's? Toevallig? Een surrealistisch cineast zou toch benieuwd kunnen zijn naar het werk van een surrealistisch schrijver? Zich er door laten inspireren zelfs, er een idee uit overnemen?
In De tranen der acacia’s vlucht Arthur Muttah na de bevrijding van Amsterdam naar Brussel, naar zijn vader, die zijn laatste illusie vormt. Vader woont in een groot huis vol met mensen en met zijn vrouw Alice. Zij is bedlegerig, maar neemt op een avond wel aan de dinertafel plaats. Arthurs oog valt op haar stoel, “die een fraai bewerkte kist geleek met een leuning eraan”.
Tijdens het eten hoort hij een vreemd geluid, “het geluid of er water in een bak van email liep”. De vreemde stoel van Alice kent dan geen geheimen meer voor hem: “Het was hem ook volkomen duidelijk wat de vreemde stoel moest voorstellen, waarop zij zat. Hij wist niet wat hij moest doen om zelf niet rood te worden in zijn gezicht.”
In De tranen der acacia’s wordt er tenminste nog gegeten aan tafel, maar Buñuel voert het idee van Hermans nog iets verder door, een stuk verder zelfs. In zijn voorlaatste film Le fantôme de la liberté, waarin hij terugkeert naar het surrealisme, is de eettafel niet een plek voor een diner, maar voor conversatie. En ontlasting.
In De tranen der acacia’s vlucht Arthur Muttah na de bevrijding van Amsterdam naar Brussel, naar zijn vader, die zijn laatste illusie vormt. Vader woont in een groot huis vol met mensen en met zijn vrouw Alice. Zij is bedlegerig, maar neemt op een avond wel aan de dinertafel plaats. Arthurs oog valt op haar stoel, “die een fraai bewerkte kist geleek met een leuning eraan”.
Tijdens het eten hoort hij een vreemd geluid, “het geluid of er water in een bak van email liep”. De vreemde stoel van Alice kent dan geen geheimen meer voor hem: “Het was hem ook volkomen duidelijk wat de vreemde stoel moest voorstellen, waarop zij zat. Hij wist niet wat hij moest doen om zelf niet rood te worden in zijn gezicht.”
In De tranen der acacia’s wordt er tenminste nog gegeten aan tafel, maar Buñuel voert het idee van Hermans nog iets verder door, een stuk verder zelfs. In zijn voorlaatste film Le fantôme de la liberté, waarin hij terugkeert naar het surrealisme, is de eettafel niet een plek voor een diner, maar voor conversatie. En ontlasting.
zondag 21 december 2014
Tessa snoof aan mij
Ik heb Tessa ook ontmoet, al wist ik toen nog niet dat het Tessa was. Tessa, van Marius, uit Godin, Held van Gustaaf Peek. In het begin van de roman, zo tegen het einde van haar leven, neemt ze uit wanhoop de tram, op zoek naar contact, naar aanraking. Ze stuit op een man in het gangpad.
"De man was groot en warm en gaf een geur af van slaap, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn ongewassen haren niet maskeren. (...) Ze wentelde haar wangen en neus in de stof van zijn kleren, de kastgeur van zijn jas, haar ogen gesloten, de duisternis en geur en wol en zijn warmte daaronder en haar handen even, nog even om hem heen."
Ik ontmoette Tessa bij de verkeerslichten, ik zal precies zeggen waar, ik ben geen schrijver, dit is echt gebeurd. Op het Wouter van Doeverenplein in Den Haag, waar de Van Alkemadelaan uitloopt op de Benoordenhoutseweg. Bij Nirwana, de eerste torenflat van Nederland. Het verkeerslicht op rood, voorbijrazende auto's, op weg naar het strand.
Ze stond ineens naast me en sprak me aan. Een klein verschrompeld vrouwtje, met een dikke jas aan. Op deze stralende zondagmiddag was ze gaan wandelen, maar nu was ze de weg kwijt. Of ik misschien wist waar het rusthuis was waar ze woonde? Dat wist ik wel, en zij natuurlijk ook.
Tessa zocht geen bejaardenhuis, ze zocht contact, aanraking en stuitte op een man die breed was en klam en die een geur afgaf van zee, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn druipende oksels niet maskeren. Ze draaide haar voorhoofd over de stof van zijn T-shirt, de ammoniakgeur van zijn zweet, haar ogen gesloten, het zonlicht en geur en katoen en zijn hitte daaronder en haar hoofd even, nog even tegen zijn borst.
"De man was groot en warm en gaf een geur af van slaap, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn ongewassen haren niet maskeren. (...) Ze wentelde haar wangen en neus in de stof van zijn kleren, de kastgeur van zijn jas, haar ogen gesloten, de duisternis en geur en wol en zijn warmte daaronder en haar handen even, nog even om hem heen."
Ik ontmoette Tessa bij de verkeerslichten, ik zal precies zeggen waar, ik ben geen schrijver, dit is echt gebeurd. Op het Wouter van Doeverenplein in Den Haag, waar de Van Alkemadelaan uitloopt op de Benoordenhoutseweg. Bij Nirwana, de eerste torenflat van Nederland. Het verkeerslicht op rood, voorbijrazende auto's, op weg naar het strand.
Ze stond ineens naast me en sprak me aan. Een klein verschrompeld vrouwtje, met een dikke jas aan. Op deze stralende zondagmiddag was ze gaan wandelen, maar nu was ze de weg kwijt. Of ik misschien wist waar het rusthuis was waar ze woonde? Dat wist ik wel, en zij natuurlijk ook.
Tessa zocht geen bejaardenhuis, ze zocht contact, aanraking en stuitte op een man die breed was en klam en die een geur afgaf van zee, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn druipende oksels niet maskeren. Ze draaide haar voorhoofd over de stof van zijn T-shirt, de ammoniakgeur van zijn zweet, haar ogen gesloten, het zonlicht en geur en katoen en zijn hitte daaronder en haar hoofd even, nog even tegen zijn borst.
dinsdag 16 december 2014
Dagobert Duck ontraadselt de taal
Het fascinerende van taal: wie heeft al die woorden bedacht? Ergens ver weg in de tijd, toen mensen door kregen dat je met 'uh' linksaf kon bedoelen en met 'ah' rechtsaf, doken de eerste woorden op. Toen eenmaal het wiel was uitgevonden, moest daar natuurlijk ook nog een woord bij, zodat wielrijders tegen elkaar konden zeggen: "Er zit een slag in je wiel!"
Je kunt zover teruggaan als je wilt langs de stroom van de tijd, maar de bron van de taal zul je nooit vinden. Die houdt zich verborgen in klanken die al lang zijn verwaaid in winden waarvan ook niemand meer weet.
Al haast even fascinerend: tegenwoordig is de oorsprong van woorden vaak wel te achterhalen. Dat komt natuurlijk door internet, waarop alles voor eeuwig bewaard blijft, en het nog terug te vinden is ook. Het Nederlandse woord van vorig jaar was 'selfie'. Dat woord was al meer dan tien jaar oud: in 2002 werd het voor het eerst gebruikt door een Australiër die een foto van zijn gescheurde lip op een internetforum zette. Hij noemde het - u raadt het al - een 'selfie'.
Dagobertducktaks
Ook van het Nederlandse woord van het jaar 2014 is eenvoudig te achterhalen waar het vandaan komt. Het is ook een veel jonger woord en het komt van veel minder ver weg: uit Woerden. Daar zit vakcentrale FNV, waar ze deze zomer de liberale jaloeziebelasting omdoopten tot Dagobertducktaks.
Met succes dus, want binnen een paar maanden lag het op iedereens lippen, met dank aan de nominatie voor woord van het jaar door Van Dale. En met dank aan al die FNV-leden, die natuurlijk massaal op hun eigen woord stemden.
Volgend jaar maar weer een woord met een raadselachtige oorsprong. U kunt vanaf vandaag inzenden.
dinsdag 11 november 2014
Met Michel Faber de natuur in
Het moet ergens in Spanje zijn geweest: die spoorlijn die zich hoog boven mijn hoofd majestueus een berg in boorde. Ik reed op een weg die zich door een prachtig berglandschap kronkelde en ik dacht: "Met een menselijke ingreep is de natuur op haar mooist."
Daar komt nog bij: zou ik ooit van het uitzicht over het Naardermeer hebben genoten als er geen spoorlijn doorheen liep?
Ik lees de eerste bladzijde van The Book of Strange New Things van Michel Faber. Man en vrouw in auto op donkere weg.
De man zegt: "The world looks nicer with man-made lights." Inderdaad. Ik sla de bladzijde om.
"But we wouldn't enjoy the world half as much if we - man - hadn't put electric lights all over it."
The Book of Strange New Things is te dik om in de boekhandel even uit te lezen. Geen idee hoe het verder gaat (wel onheilspellend: alweer een lifter langs de weg aan het begin van een boek. Zie: Under the skin). Maar Faber schiep wel een hoofdpersoon met visie.
Daar komt nog bij: zou ik ooit van het uitzicht over het Naardermeer hebben genoten als er geen spoorlijn doorheen liep?
Ik lees de eerste bladzijde van The Book of Strange New Things van Michel Faber. Man en vrouw in auto op donkere weg.
De man zegt: "The world looks nicer with man-made lights." Inderdaad. Ik sla de bladzijde om.
"But we wouldn't enjoy the world half as much if we - man - hadn't put electric lights all over it."
The Book of Strange New Things is te dik om in de boekhandel even uit te lezen. Geen idee hoe het verder gaat (wel onheilspellend: alweer een lifter langs de weg aan het begin van een boek. Zie: Under the skin). Maar Faber schiep wel een hoofdpersoon met visie.
maandag 4 augustus 2014
Ochtendkrant
“Ik zie je”, zei Joost toen hij voorgoed uit haar leven verdween. Ik zie je, maar ze had hem nooit meer gezien en het nooit meer over hem gehad. Zeker niet met Freek, die niet veel later in haar leven was verschenen. Freek had de pest aan al haar vroegere vriendjes.
Pas jaren later dook Joost weer op, in de krant die Maria las bij haar ontbijt. Jozias Adrianus Maria Verschoten, las ze en: na een moedig gedragen ziekbed, geen bloemen.
Door haar tranen zag ze de letters in elkaar overlopen, een druppel viel uit haar neus. Ineens stond Freek achter haar. “Schatje, je lekt.”
Een haastige kus naast haar oor en weg was hij, nog voor Maria kon zeggen: “Ik zie je.”
(Een roman 11-149 zoals voorgelezen in De Taalstaat van Frits Spits, 26 juli 2014)
vrijdag 18 juli 2014
Monument voor het onbekende slachtoffer
Voor de slachtoffers van een neergeschoten vliegtuig in Oekraïne hangen we de vlaggen halfstok, want onder de slachtoffers zijn veel Nederlanders
Om Palestijnse slachtoffers in Gaza maken we ons wel druk, maar we hangen geen vlaggen halfstok, want onder de slachtoffers zijn geen Nederlanders.
Er zijn Nederlanders die zich hieraan storen. White lives matter more than brown ones, twitterde Quinsy Gario. "Maar schrikt de wereld alleen van witte mensen die dood gaan? Schrikt de wereld niet van bruine en zwarte mensen die worden afgeslacht elke dag?" vroeg Hoda Hamdaoui zich af op Facebook. Ze oogstte al snel meer dan 200 likes. "Ik vergelijk absoluut geen leed, ik probeer alleen aan te geven hoe scheef de betrokkenheid in Nederland is."
Scheve betrokkenheid? Battus stelde in De Encyclopedie al een formule op voor de ergheid van een ramp: E =log x N/AT, waarbij de A staat voor de afstand tot de ramp. Omdat bij een vliegtuigongeluk de ergheid sterk oploopt als er Nederlanders onder de slachtoffers zijn, staat de A in het geval van vliegrampen voor de afstand tot de woonplaats van de getroffenen.
Volendam, Haarlem, Den Haag zijn binnen de kortste keren per auto of openbaar vervoer bereikbaar, Gaza een stuk minder, of dat vluchtelingenkamp in Bentiu in Zuid-Sudan, of de gevaarlijke straten van de Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek. En wat te denken van de slachtoffers van een vergeten burgeroorlog in Birma? Als de nood hoog is, geven we nog wel eens geld, maar we laten geen traan. Het hemd is nader dan de rok, onbekend maakt onbemind en onbeweend.
De Grieken wijdden altaren en tempels aan onbekende goden, uit angst er een te vergeten. Waarom dan ook niet een monument voor het onbekende slachtoffer? Daarmee kunnen we dan in een moeite door onze betrokkenheid tonen bij alle slachtoffers van onrecht, rampen, oorlogen, uitbuiting, watersnoden enzovoorts. Dan kan niemand ons meer verwijten een slachtoffer te vergeten, scheef betrokken te zijn, of het hemd te verkiezen boven de rok.
Op veel plaatsen brandt al een eeuwige vlam voor de onbekende soldaat. Dan is het een kleine moeite ergens in Nederland een vlag eeuwig halfstok te laten hangen. Voor het onbekende slachtoffer, in alle kleuren van de regenboog.
Om Palestijnse slachtoffers in Gaza maken we ons wel druk, maar we hangen geen vlaggen halfstok, want onder de slachtoffers zijn geen Nederlanders.
Er zijn Nederlanders die zich hieraan storen. White lives matter more than brown ones, twitterde Quinsy Gario. "Maar schrikt de wereld alleen van witte mensen die dood gaan? Schrikt de wereld niet van bruine en zwarte mensen die worden afgeslacht elke dag?" vroeg Hoda Hamdaoui zich af op Facebook. Ze oogstte al snel meer dan 200 likes. "Ik vergelijk absoluut geen leed, ik probeer alleen aan te geven hoe scheef de betrokkenheid in Nederland is."
Scheve betrokkenheid? Battus stelde in De Encyclopedie al een formule op voor de ergheid van een ramp: E =log x N/AT, waarbij de A staat voor de afstand tot de ramp. Omdat bij een vliegtuigongeluk de ergheid sterk oploopt als er Nederlanders onder de slachtoffers zijn, staat de A in het geval van vliegrampen voor de afstand tot de woonplaats van de getroffenen.
Volendam, Haarlem, Den Haag zijn binnen de kortste keren per auto of openbaar vervoer bereikbaar, Gaza een stuk minder, of dat vluchtelingenkamp in Bentiu in Zuid-Sudan, of de gevaarlijke straten van de Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek. En wat te denken van de slachtoffers van een vergeten burgeroorlog in Birma? Als de nood hoog is, geven we nog wel eens geld, maar we laten geen traan. Het hemd is nader dan de rok, onbekend maakt onbemind en onbeweend.
De Grieken wijdden altaren en tempels aan onbekende goden, uit angst er een te vergeten. Waarom dan ook niet een monument voor het onbekende slachtoffer? Daarmee kunnen we dan in een moeite door onze betrokkenheid tonen bij alle slachtoffers van onrecht, rampen, oorlogen, uitbuiting, watersnoden enzovoorts. Dan kan niemand ons meer verwijten een slachtoffer te vergeten, scheef betrokken te zijn, of het hemd te verkiezen boven de rok.
Op veel plaatsen brandt al een eeuwige vlam voor de onbekende soldaat. Dan is het een kleine moeite ergens in Nederland een vlag eeuwig halfstok te laten hangen. Voor het onbekende slachtoffer, in alle kleuren van de regenboog.
dinsdag 8 juli 2014
De liegende dichter
Batavus Droogstoppel zou vreemd hebben opgekeken als hij het
gedicht 'Ons geheugen' van Bart Moeyaert onder ogen had gekregen. "We
moeten ons geheugen niet aan dichters toevertrouwen", luidt de eerste
regel.
Een modene dichter die het met hem eens is! De makelaar in
koffie - Laurriergracht No 37 -vindt al anderhalve eeuw dat dichters
niet te vertrouwen zijn:
"Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in 't gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en 't is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als 't kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn.Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen."
Met stijgende verbazing zou Drroogstoppel vast moeten stellen dat dichter Moeyaert de hand in eigen boezem steekt. "We kunnen ons geheugen pas aan dichters toevertrouwen als alles is wat is en zij zich aan de feiten houden."
Dichters maken er maar een potje van, ze "schrappen
hele straten voor het rijm", waarschuwt de dichter in een gedicht zonder
verzen, zonder metrum, en met hoogstens hier en daar een beetje rijm. Heel prozaïsch, en in de ogen van Moeyart misschien wel veel geloofwaardiger.
Maar bij Droogstoppel hoeft hij daarmee niet aan te komen, want ook romanschrijvers zijn voor deze 'man van zaken' niet te vertrouwen: "Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe."
zondag 25 mei 2014
De terugkeer van de stoel
(De Amerikaanse volksvertegenwoordiger Paul Ray kwam ook nog met het vuurpeloton aanzetten als "waarschijnlijk de meest humane manier om iemand te doden". Menselijk. Hij kon wel eens gelijk hebben: dieren schieten elkaar niet dood.)
In Tennessee hebben ze vast niet Roundhay, tuinscène gelezen van Marente de Moor. Zij laat zien hoe de doortrapte uitvinder Thomas Edison de elektrische stoel gebruikte om zijn concurrent George Westinghouse zwart te maken. Westinghouse pleitte voor gebruik van wisselstroom (AC), Edison was voor zijn eigen gelijkstroom (DC).
In deze War of Currents wilde Edison zijn concurrent een belangrijke slag toebrengen door te laten zien hoe gemakkelijk een terdoodveroordeelde met de gevaarlijke wisselstroom aan zijn einde geholpen zou kunnen worden. Dronkelap William Kemmler had zijn liefje met een bijl vermoord. Hij werd in 1890 het eerste slachtoffer van de elektrische stoel (ook humaan: de veroordeelde hoefde niet staand te sterven, vandaar die stoel).
In zijn roman Flitsen staat Jean Echenoz uitvoeriger stil bij deze primeur. Na een eerste stroomstoot blijkt Kemmler nog te leven, dus volgt een tweede:
"(...) algauw verspreidt zich dan een sterke geur van geroosterd vlees, terwijl er lange vonken uit Kemmlers ledematen tevoorschijn schieten, zijn overvloedige zweet verandert allengs in bloed, er begint een dikke rookwolk uit zijn hoofd op te stijgen en zijn ogen proberen met succes uit hun kassen te ontsnappen, totdat er geen twijfel meer bestaat aan zijn overlijden, dat officieel wordt vastgesteld door een gerechtelijk geneeskundige."
Westinghouse merkte op dat de beul beter een bijl had kunnen gebruiken. Misschien moet Tennessee maar eens nadenken over het oplappen van de guillotine.
Abonneren op:
Posts (Atom)
