Ilja Leonard Pfeijffer draait in Genua een sliert spaghetti al ragù rond zijn vork en weet dat die spaghetti smaakt zoals het altijd heeft gesmaakt.
Oek de Jong staat ergens in Umbria in verwondering voor een metershoog beschilderd houten kruis en beseft dat “zo’n ding” gemaakt is zoals het altijd is gemaakt.
Gerrit Komrij bloemleest een gedicht van Heiman Dullaert en schrijft in Komrij’s Canon: “In de eerste eeuwen van de poëzie deed originaliteit er niet zo toe.” Voor zijn gedicht ‘Een korenwanner aan de winden’ speelde Dullaert leentjebuur bij zijn Franse voorganger Joachim Du Bellay. “Hij pikte iets bekends en maakte er een nieuw arrangement van.”
Dullaert wist als geen ander hoe dat moest, want Dullaert was ook schilder, en waar keren steeds weer dezelfde bijbelse en mythologische taferelen nu vaker terug dan in de beeldende kunst? “De uitwerking telde, niet de inval”, vat Komrij het werk van kunstenaars samen die juist in het herkauwen van bekende thema’s lieten zien wat voor uitmuntende schilders ze waren.
Van die eeuwige piëta’s, kruisafnames en kruisigingen bijvoorbeeld. ‘’Het is een type”, merkt Oek de Jong in De wonderen van de heilbot op over al die kruisvormige schilderijen die in Umbria op zijn pad komen. “Geen eigen inbreng dus voor de schilder. Gewoon zo’n ding maken zoals het altijd is gedaan.”
Maar dan wel “zodat het leeft, omdat jij het hebt gedaan en er toch iets van jezelf in hebt gelegd”, schrijft hij over de Kruisigingen. “Want ze zijn allemaal weer anders, ook al ontlenen ze allemaal hun kracht aan hetzelfde oerbeeld.”
Net als bij het gedicht is het de uitwerking die telt, niet de inval, en natuurlijk geldt dat net zo goed voor de spaghetti al ragù die Ilja Leonard Pfeijffer in Genua rond zijn vork draait. ‘’Creativiteit van de kok wordt niet gewaardeerd”, schrijft hij in La Superba. ”De kok moet een vakman zijn, zoals een schoenlapper, geen kunstenaar.”
Evenals de dichter en de schilder kan de kok er wel zijn eigen draai aan geven. Over die spaghetti al ragù heeft elke regio, stad of wijk zijn eigen ideeën, en diezelfde spaghetti draagt dan zelfs verschillende namen, schrijft Pfeijffer. “Maar iedereen is het erover eens dat het zo moet smaken zoals het altijd heeft gesmaakt.”
Dichten, schilderen, spaghetti koken, je doet het zoals het hoort. Of zoals de Italianen het zeggen: Come si deve.
vrijdag 31 mei 2013
zaterdag 23 maart 2013
Louis, vaar wel op je plas
Is het niet raar dat Simon Carmiggelt met zijn vrouw Tiny op een bankje in De Steeg zit uit te kijken over de IJssel, terwijl Louis Couperus in zijn sterfplaats alleen terug te vinden is op het Amaliaplein? “Een tederheid van stemming en licht vervloeit langs de rivier”, staat er op dat plein in een soort van kunstwerk, en die rivier zal dan wel de IJssel zijn.
2013 wemelt van de lezingen, tentoonstellingen,uitgaven en activiteiten omdat Couperus 150 jaar geleden werd geboren. Carmiggelt zou dit jaar 100 zou zijn geworden, maar heb ik al iets vernomen van de viering van het Carmiggeltjaar? Nee toch?
Dat Simon in De Steeg toch nog meer leeft dan Louis is ook wel te begrijpen. Carmiggelt maakte in zijn Kronkels veel reclame voor De Steeg, dat voor hem en Tiny een soort tweede thuis was geworden. Couperus woonde er korter, schreef er minder over en is al veel langer dood.
Zelfs zijn huis ’t Sunneke staat er niet meer. Uitgerekend Carmiggelt vertelde over Couperus in De Steeg een anekdote die ik ken uit Querido’s literaire reisgids, maar die F.L. Bastet in zijn Couperusbiografie ook optekende. Tijdens zijn wandelingen door de naburige bossen verzamelde Couperus stenen. Daarmee legde hij in zijn tuin het woord ‘Vale’. ‘Vaarwel’, alsof hij voorvoelde dat hij niet lang meer te leven had. Toen hij stierf was hij niet veel verder gekomen dan ‘Val’.
Maar dat ‘Vale’ kwam er toch. Simon en Tiny kijken uit over de Steegse Haven, een snelweg, de IJssel en kunnen dan nog misschien net hun blik laten vallen over de plas die daar weer achter ligt. De Valeplas.
2013 wemelt van de lezingen, tentoonstellingen,uitgaven en activiteiten omdat Couperus 150 jaar geleden werd geboren. Carmiggelt zou dit jaar 100 zou zijn geworden, maar heb ik al iets vernomen van de viering van het Carmiggeltjaar? Nee toch?
Dat Simon in De Steeg toch nog meer leeft dan Louis is ook wel te begrijpen. Carmiggelt maakte in zijn Kronkels veel reclame voor De Steeg, dat voor hem en Tiny een soort tweede thuis was geworden. Couperus woonde er korter, schreef er minder over en is al veel langer dood.
Zelfs zijn huis ’t Sunneke staat er niet meer. Uitgerekend Carmiggelt vertelde over Couperus in De Steeg een anekdote die ik ken uit Querido’s literaire reisgids, maar die F.L. Bastet in zijn Couperusbiografie ook optekende. Tijdens zijn wandelingen door de naburige bossen verzamelde Couperus stenen. Daarmee legde hij in zijn tuin het woord ‘Vale’. ‘Vaarwel’, alsof hij voorvoelde dat hij niet lang meer te leven had. Toen hij stierf was hij niet veel verder gekomen dan ‘Val’.
Maar dat ‘Vale’ kwam er toch. Simon en Tiny kijken uit over de Steegse Haven, een snelweg, de IJssel en kunnen dan nog misschien net hun blik laten vallen over de plas die daar weer achter ligt. De Valeplas.
maandag 26 november 2012
De Tempel van het Toeval
Mocht het toeval zich de laatste tijd een beetje verstopt hebben gehouden, dan is er altijd nog Harry Mulisch om hem uit zijn schuilplaats te jagen. Begin jaren negentig voegde hij aan zijn inzicht in De compositie van de wereld ook nog eens zijn Ontdekking van de hemel toe.
Voor een schrijver met het aardse en het hemelse in zijn greep, kan het toeval gewoonweg niet meer bestaan. En God eigenlijk ook niet meer. Toch brachten juist de toevalligheden rond de voltooiing van De ontdekking van de hemel Mulisch dicht bij een geloof in het bestaan van God.
Mulisch schrijft erover in het logboek waarin hij zijn ontdekkingsreis naar de hemel vastlegde. Dat mogen we nu lezen, twee jaar na zijn dood. In het korte commentaar bij zijn logboek stapelt het toeval zich op. Tijdens het schrijven volgde Mulisch vanaf zijn balkon de bouw van een casino op de plek van een oud Huis van Bewaring. De dag dat hij de 65 hoofdstukken van De ontdekking van de hemel bij zijn uitgever inleverde, bereikte het nieuwe casino zijn hoogste punt. Dat gebeurde allemaal ook nog eens op zijn 65e verjaardag. Dat die datum dan ook nog bijna samenviel met de geboorte en dood van zijn vader, is zo toevallig dat Mulisch bijna in God gaat geloven.
"Eerlijk gezegd beschouw ik dat allemaal bijkans als een godsbewijs. Voor de personen in De ontdekking van de hemel berusten alle gebeurtenissen op toeval, maar de lezer weet dat niets toeval is, want alles wordt gestuurd en bepaald door een engel die het verhaal vertelt. Daarom is het ook volkomen in orde, dat op de plek van die oude stadsgevangenis nu een casino staat: de Tempel van het Toeval."
Voor een schrijver met het aardse en het hemelse in zijn greep, kan het toeval gewoonweg niet meer bestaan. En God eigenlijk ook niet meer. Toch brachten juist de toevalligheden rond de voltooiing van De ontdekking van de hemel Mulisch dicht bij een geloof in het bestaan van God.
Mulisch schrijft erover in het logboek waarin hij zijn ontdekkingsreis naar de hemel vastlegde. Dat mogen we nu lezen, twee jaar na zijn dood. In het korte commentaar bij zijn logboek stapelt het toeval zich op. Tijdens het schrijven volgde Mulisch vanaf zijn balkon de bouw van een casino op de plek van een oud Huis van Bewaring. De dag dat hij de 65 hoofdstukken van De ontdekking van de hemel bij zijn uitgever inleverde, bereikte het nieuwe casino zijn hoogste punt. Dat gebeurde allemaal ook nog eens op zijn 65e verjaardag. Dat die datum dan ook nog bijna samenviel met de geboorte en dood van zijn vader, is zo toevallig dat Mulisch bijna in God gaat geloven.
"Eerlijk gezegd beschouw ik dat allemaal bijkans als een godsbewijs. Voor de personen in De ontdekking van de hemel berusten alle gebeurtenissen op toeval, maar de lezer weet dat niets toeval is, want alles wordt gestuurd en bepaald door een engel die het verhaal vertelt. Daarom is het ook volkomen in orde, dat op de plek van die oude stadsgevangenis nu een casino staat: de Tempel van het Toeval."
donderdag 7 juni 2012
Persoonlijke herinneringen 3
Nogmaals: is alles wat de schrijver verzint een herinnering, zelfs aan dingen die eigenlijk niet gebeurd zijn?(Auster). Of zitten herinneringen de schrijver die graag zijn verbeelding aan het werk laat alleen maar in de weg? (Bernlef).
Voor de oudere schrijver zijn herinnering (memory) en verbeelding (imagination) steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden, schrijft Julian Barnes in Nothing to be frightened of. "My brother mistrusts most memories. I do not mistrust them, rahter I trust them as workings of the imagination, as containing imaginative as opposed to naturalistic truth."
Voor de oudere schrijver zijn herinnering (memory) en verbeelding (imagination) steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden, schrijft Julian Barnes in Nothing to be frightened of. "My brother mistrusts most memories. I do not mistrust them, rahter I trust them as workings of the imagination, as containing imaginative as opposed to naturalistic truth."
donderdag 24 mei 2012
Persoonlijke herinneringen 2
Voor Emiel Steegman speelt zijn eigen leven geen enkele rol in zijn romans. "Hij was een fictieschrijver, en die was gebaat bij een klare kijk op zijn verhaal, werd daarom beter niet bestookt door herinneringen, clusterbommen die ontploften zodra hij plaatsnam aan zijn bureau en uit het raam durfde te kijken. Steegmans gebrek aan herinneringen was mogelijk zijn enige, echte talent."
Dat schrijft Peter Terrin in Post Mortem over zijn hoofdpersoon, die op zijn beurt weer een roman gaat schrijven over een auteur, die hij T noemt. Met Steegman schaart Terrin zich in het kamp van Bernlef, die zegt dat herinneringen een schrijver alleen maar in de weg zitten.
Of speelt Terrin een spelletje met de lezer? In een vraaggesprek gaf hij onomwonden toe dat Steegman nauwelijks te onderscheiden is van zijn schepper. Bijna alles wat Steegman overkomt, is wat Terrin zich herinnert van zijn eigen lotgevallen.
Dat schrijft Peter Terrin in Post Mortem over zijn hoofdpersoon, die op zijn beurt weer een roman gaat schrijven over een auteur, die hij T noemt. Met Steegman schaart Terrin zich in het kamp van Bernlef, die zegt dat herinneringen een schrijver alleen maar in de weg zitten.
Of speelt Terrin een spelletje met de lezer? In een vraaggesprek gaf hij onomwonden toe dat Steegman nauwelijks te onderscheiden is van zijn schepper. Bijna alles wat Steegman overkomt, is wat Terrin zich herinnert van zijn eigen lotgevallen.
dinsdag 15 mei 2012
Persoonlijke herinneringen
Paul Auster vindt dat alles wat een schrijver opschrijft bestaat uit herinneringen. Zelfs de dingen die hij verzint, zijn herinneringen die hem ontschoten zijn.
Over zijn nieuwe verhalenbundel Help me herinneren zei Bernlef dat herinneringen de schrijver maar in de weg zitten: ze hinderen bij het verzinnen. Hij prees zich gelukkig met een slecht geheugen. Maar hij zei ook dat een persoon bestaat uit herinneringen, of zoals Michel Hoellebecq in Mogelijkheid van een eiland schrijft: "De persoonlijkheid bestaat uit niets anders dan wat in het geheugen kan worden opgeslagen."
Bernlef vindt zichzelf kennelijk geen sterke persoonlijkheid. Maar misschien vaart een schrijver daar wel bij.
Over zijn nieuwe verhalenbundel Help me herinneren zei Bernlef dat herinneringen de schrijver maar in de weg zitten: ze hinderen bij het verzinnen. Hij prees zich gelukkig met een slecht geheugen. Maar hij zei ook dat een persoon bestaat uit herinneringen, of zoals Michel Hoellebecq in Mogelijkheid van een eiland schrijft: "De persoonlijkheid bestaat uit niets anders dan wat in het geheugen kan worden opgeslagen."
Bernlef vindt zichzelf kennelijk geen sterke persoonlijkheid. Maar misschien vaart een schrijver daar wel bij.
zondag 6 mei 2012
Tweede persoon enkelvoud
Paul Auster schreef zijn Winter Journal in de tweede persoon enkelvoud. Nogal wat lezers leggen een boek meteen weg als ze zien dat de schrijver zijn hoofdpersoon van de eerste tot de laatste bladzijde met 'jij' aanspreekt. (Sommige lezers hebben al moeite met de eerste persoon enkelvoud: ik).
Maar Auster heeft zoveel lezers dat de jij-handicap zijn boek niet zal deren. Toch ging hij in Nederland op tournee om zijn Winterlogboek aan de man te brengen. In VPRO Boeken verscheen hij op televisie na een heel wat minder gevierd auteur. De Palestijn Sayed Kashua waagt het niet alleen in het Hebreeuws te schrijven, hij noemde zijn boek ook nog eens Tweede persoon enkelvoud.
Maar Auster heeft zoveel lezers dat de jij-handicap zijn boek niet zal deren. Toch ging hij in Nederland op tournee om zijn Winterlogboek aan de man te brengen. In VPRO Boeken verscheen hij op televisie na een heel wat minder gevierd auteur. De Palestijn Sayed Kashua waagt het niet alleen in het Hebreeuws te schrijven, hij noemde zijn boek ook nog eens Tweede persoon enkelvoud.
Abonneren op:
Posts (Atom)