Zou Luis Buñuel bekend zijn geweest met het werk van W.F.Hermans? Met De tranen der acacia's? Toevallig? Een surrealistisch cineast zou toch benieuwd kunnen zijn naar het werk van een surrealistisch schrijver? Zich er door laten inspireren zelfs, er een idee uit overnemen?
In De tranen der acacia’s vlucht Arthur Muttah na de bevrijding van Amsterdam naar Brussel, naar zijn vader, die zijn laatste illusie vormt. Vader woont in een groot huis vol met mensen en met zijn vrouw Alice. Zij is bedlegerig, maar neemt op een avond wel aan de dinertafel plaats. Arthurs oog valt op haar stoel, “die een fraai bewerkte kist geleek met een leuning eraan”.
Tijdens het eten hoort hij een vreemd geluid, “het geluid of er water in een bak van email liep”. De vreemde stoel van Alice kent dan geen geheimen meer voor hem: “Het was hem ook volkomen duidelijk wat de vreemde stoel moest voorstellen, waarop zij zat. Hij wist niet wat hij moest doen om zelf niet rood te worden in zijn gezicht.”
In De tranen der acacia’s wordt er tenminste nog gegeten aan tafel, maar Buñuel voert het idee van Hermans nog iets verder door, een stuk verder zelfs. In zijn voorlaatste film Le fantôme de la liberté, waarin hij terugkeert naar het surrealisme, is de eettafel niet een plek voor een diner, maar voor conversatie. En ontlasting.
donderdag 12 maart 2015
zondag 21 december 2014
Tessa snoof aan mij
Ik heb Tessa ook ontmoet, al wist ik toen nog niet dat het Tessa was. Tessa, van Marius, uit Godin, Held van Gustaaf Peek. In het begin van de roman, zo tegen het einde van haar leven, neemt ze uit wanhoop de tram, op zoek naar contact, naar aanraking. Ze stuit op een man in het gangpad.
"De man was groot en warm en gaf een geur af van slaap, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn ongewassen haren niet maskeren. (...) Ze wentelde haar wangen en neus in de stof van zijn kleren, de kastgeur van zijn jas, haar ogen gesloten, de duisternis en geur en wol en zijn warmte daaronder en haar handen even, nog even om hem heen."
Ik ontmoette Tessa bij de verkeerslichten, ik zal precies zeggen waar, ik ben geen schrijver, dit is echt gebeurd. Op het Wouter van Doeverenplein in Den Haag, waar de Van Alkemadelaan uitloopt op de Benoordenhoutseweg. Bij Nirwana, de eerste torenflat van Nederland. Het verkeerslicht op rood, voorbijrazende auto's, op weg naar het strand.
Ze stond ineens naast me en sprak me aan. Een klein verschrompeld vrouwtje, met een dikke jas aan. Op deze stralende zondagmiddag was ze gaan wandelen, maar nu was ze de weg kwijt. Of ik misschien wist waar het rusthuis was waar ze woonde? Dat wist ik wel, en zij natuurlijk ook.
Tessa zocht geen bejaardenhuis, ze zocht contact, aanraking en stuitte op een man die breed was en klam en die een geur afgaf van zee, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn druipende oksels niet maskeren. Ze draaide haar voorhoofd over de stof van zijn T-shirt, de ammoniakgeur van zijn zweet, haar ogen gesloten, het zonlicht en geur en katoen en zijn hitte daaronder en haar hoofd even, nog even tegen zijn borst.
"De man was groot en warm en gaf een geur af van slaap, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn ongewassen haren niet maskeren. (...) Ze wentelde haar wangen en neus in de stof van zijn kleren, de kastgeur van zijn jas, haar ogen gesloten, de duisternis en geur en wol en zijn warmte daaronder en haar handen even, nog even om hem heen."
Ik ontmoette Tessa bij de verkeerslichten, ik zal precies zeggen waar, ik ben geen schrijver, dit is echt gebeurd. Op het Wouter van Doeverenplein in Den Haag, waar de Van Alkemadelaan uitloopt op de Benoordenhoutseweg. Bij Nirwana, de eerste torenflat van Nederland. Het verkeerslicht op rood, voorbijrazende auto's, op weg naar het strand.
Ze stond ineens naast me en sprak me aan. Een klein verschrompeld vrouwtje, met een dikke jas aan. Op deze stralende zondagmiddag was ze gaan wandelen, maar nu was ze de weg kwijt. Of ik misschien wist waar het rusthuis was waar ze woonde? Dat wist ik wel, en zij natuurlijk ook.
Tessa zocht geen bejaardenhuis, ze zocht contact, aanraking en stuitte op een man die breed was en klam en die een geur afgaf van zee, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn druipende oksels niet maskeren. Ze draaide haar voorhoofd over de stof van zijn T-shirt, de ammoniakgeur van zijn zweet, haar ogen gesloten, het zonlicht en geur en katoen en zijn hitte daaronder en haar hoofd even, nog even tegen zijn borst.
dinsdag 16 december 2014
Dagobert Duck ontraadselt de taal
Het fascinerende van taal: wie heeft al die woorden bedacht? Ergens ver weg in de tijd, toen mensen door kregen dat je met 'uh' linksaf kon bedoelen en met 'ah' rechtsaf, doken de eerste woorden op. Toen eenmaal het wiel was uitgevonden, moest daar natuurlijk ook nog een woord bij, zodat wielrijders tegen elkaar konden zeggen: "Er zit een slag in je wiel!"
Je kunt zover teruggaan als je wilt langs de stroom van de tijd, maar de bron van de taal zul je nooit vinden. Die houdt zich verborgen in klanken die al lang zijn verwaaid in winden waarvan ook niemand meer weet.
Al haast even fascinerend: tegenwoordig is de oorsprong van woorden vaak wel te achterhalen. Dat komt natuurlijk door internet, waarop alles voor eeuwig bewaard blijft, en het nog terug te vinden is ook. Het Nederlandse woord van vorig jaar was 'selfie'. Dat woord was al meer dan tien jaar oud: in 2002 werd het voor het eerst gebruikt door een Australiër die een foto van zijn gescheurde lip op een internetforum zette. Hij noemde het - u raadt het al - een 'selfie'.
Dagobertducktaks
Ook van het Nederlandse woord van het jaar 2014 is eenvoudig te achterhalen waar het vandaan komt. Het is ook een veel jonger woord en het komt van veel minder ver weg: uit Woerden. Daar zit vakcentrale FNV, waar ze deze zomer de liberale jaloeziebelasting omdoopten tot Dagobertducktaks.
Met succes dus, want binnen een paar maanden lag het op iedereens lippen, met dank aan de nominatie voor woord van het jaar door Van Dale. En met dank aan al die FNV-leden, die natuurlijk massaal op hun eigen woord stemden.
Volgend jaar maar weer een woord met een raadselachtige oorsprong. U kunt vanaf vandaag inzenden.
dinsdag 11 november 2014
Met Michel Faber de natuur in
Het moet ergens in Spanje zijn geweest: die spoorlijn die zich hoog boven mijn hoofd majestueus een berg in boorde. Ik reed op een weg die zich door een prachtig berglandschap kronkelde en ik dacht: "Met een menselijke ingreep is de natuur op haar mooist."
Daar komt nog bij: zou ik ooit van het uitzicht over het Naardermeer hebben genoten als er geen spoorlijn doorheen liep?
Ik lees de eerste bladzijde van The Book of Strange New Things van Michel Faber. Man en vrouw in auto op donkere weg.
De man zegt: "The world looks nicer with man-made lights." Inderdaad. Ik sla de bladzijde om.
"But we wouldn't enjoy the world half as much if we - man - hadn't put electric lights all over it."
The Book of Strange New Things is te dik om in de boekhandel even uit te lezen. Geen idee hoe het verder gaat (wel onheilspellend: alweer een lifter langs de weg aan het begin van een boek. Zie: Under the skin). Maar Faber schiep wel een hoofdpersoon met visie.
Daar komt nog bij: zou ik ooit van het uitzicht over het Naardermeer hebben genoten als er geen spoorlijn doorheen liep?
Ik lees de eerste bladzijde van The Book of Strange New Things van Michel Faber. Man en vrouw in auto op donkere weg.
De man zegt: "The world looks nicer with man-made lights." Inderdaad. Ik sla de bladzijde om.
"But we wouldn't enjoy the world half as much if we - man - hadn't put electric lights all over it."
The Book of Strange New Things is te dik om in de boekhandel even uit te lezen. Geen idee hoe het verder gaat (wel onheilspellend: alweer een lifter langs de weg aan het begin van een boek. Zie: Under the skin). Maar Faber schiep wel een hoofdpersoon met visie.
maandag 4 augustus 2014
Ochtendkrant
“Ik zie je”, zei Joost toen hij voorgoed uit haar leven verdween. Ik zie je, maar ze had hem nooit meer gezien en het nooit meer over hem gehad. Zeker niet met Freek, die niet veel later in haar leven was verschenen. Freek had de pest aan al haar vroegere vriendjes.
Pas jaren later dook Joost weer op, in de krant die Maria las bij haar ontbijt. Jozias Adrianus Maria Verschoten, las ze en: na een moedig gedragen ziekbed, geen bloemen.
Door haar tranen zag ze de letters in elkaar overlopen, een druppel viel uit haar neus. Ineens stond Freek achter haar. “Schatje, je lekt.”
Een haastige kus naast haar oor en weg was hij, nog voor Maria kon zeggen: “Ik zie je.”
(Een roman 11-149 zoals voorgelezen in De Taalstaat van Frits Spits, 26 juli 2014)
vrijdag 18 juli 2014
Monument voor het onbekende slachtoffer
Voor de slachtoffers van een neergeschoten vliegtuig in Oekraïne hangen we de vlaggen halfstok, want onder de slachtoffers zijn veel Nederlanders
Om Palestijnse slachtoffers in Gaza maken we ons wel druk, maar we hangen geen vlaggen halfstok, want onder de slachtoffers zijn geen Nederlanders.
Er zijn Nederlanders die zich hieraan storen. White lives matter more than brown ones, twitterde Quinsy Gario. "Maar schrikt de wereld alleen van witte mensen die dood gaan? Schrikt de wereld niet van bruine en zwarte mensen die worden afgeslacht elke dag?" vroeg Hoda Hamdaoui zich af op Facebook. Ze oogstte al snel meer dan 200 likes. "Ik vergelijk absoluut geen leed, ik probeer alleen aan te geven hoe scheef de betrokkenheid in Nederland is."
Scheve betrokkenheid? Battus stelde in De Encyclopedie al een formule op voor de ergheid van een ramp: E =log x N/AT, waarbij de A staat voor de afstand tot de ramp. Omdat bij een vliegtuigongeluk de ergheid sterk oploopt als er Nederlanders onder de slachtoffers zijn, staat de A in het geval van vliegrampen voor de afstand tot de woonplaats van de getroffenen.
Volendam, Haarlem, Den Haag zijn binnen de kortste keren per auto of openbaar vervoer bereikbaar, Gaza een stuk minder, of dat vluchtelingenkamp in Bentiu in Zuid-Sudan, of de gevaarlijke straten van de Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek. En wat te denken van de slachtoffers van een vergeten burgeroorlog in Birma? Als de nood hoog is, geven we nog wel eens geld, maar we laten geen traan. Het hemd is nader dan de rok, onbekend maakt onbemind en onbeweend.
De Grieken wijdden altaren en tempels aan onbekende goden, uit angst er een te vergeten. Waarom dan ook niet een monument voor het onbekende slachtoffer? Daarmee kunnen we dan in een moeite door onze betrokkenheid tonen bij alle slachtoffers van onrecht, rampen, oorlogen, uitbuiting, watersnoden enzovoorts. Dan kan niemand ons meer verwijten een slachtoffer te vergeten, scheef betrokken te zijn, of het hemd te verkiezen boven de rok.
Op veel plaatsen brandt al een eeuwige vlam voor de onbekende soldaat. Dan is het een kleine moeite ergens in Nederland een vlag eeuwig halfstok te laten hangen. Voor het onbekende slachtoffer, in alle kleuren van de regenboog.
Om Palestijnse slachtoffers in Gaza maken we ons wel druk, maar we hangen geen vlaggen halfstok, want onder de slachtoffers zijn geen Nederlanders.
Er zijn Nederlanders die zich hieraan storen. White lives matter more than brown ones, twitterde Quinsy Gario. "Maar schrikt de wereld alleen van witte mensen die dood gaan? Schrikt de wereld niet van bruine en zwarte mensen die worden afgeslacht elke dag?" vroeg Hoda Hamdaoui zich af op Facebook. Ze oogstte al snel meer dan 200 likes. "Ik vergelijk absoluut geen leed, ik probeer alleen aan te geven hoe scheef de betrokkenheid in Nederland is."
Scheve betrokkenheid? Battus stelde in De Encyclopedie al een formule op voor de ergheid van een ramp: E =log x N/AT, waarbij de A staat voor de afstand tot de ramp. Omdat bij een vliegtuigongeluk de ergheid sterk oploopt als er Nederlanders onder de slachtoffers zijn, staat de A in het geval van vliegrampen voor de afstand tot de woonplaats van de getroffenen.
Volendam, Haarlem, Den Haag zijn binnen de kortste keren per auto of openbaar vervoer bereikbaar, Gaza een stuk minder, of dat vluchtelingenkamp in Bentiu in Zuid-Sudan, of de gevaarlijke straten van de Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek. En wat te denken van de slachtoffers van een vergeten burgeroorlog in Birma? Als de nood hoog is, geven we nog wel eens geld, maar we laten geen traan. Het hemd is nader dan de rok, onbekend maakt onbemind en onbeweend.
De Grieken wijdden altaren en tempels aan onbekende goden, uit angst er een te vergeten. Waarom dan ook niet een monument voor het onbekende slachtoffer? Daarmee kunnen we dan in een moeite door onze betrokkenheid tonen bij alle slachtoffers van onrecht, rampen, oorlogen, uitbuiting, watersnoden enzovoorts. Dan kan niemand ons meer verwijten een slachtoffer te vergeten, scheef betrokken te zijn, of het hemd te verkiezen boven de rok.
Op veel plaatsen brandt al een eeuwige vlam voor de onbekende soldaat. Dan is het een kleine moeite ergens in Nederland een vlag eeuwig halfstok te laten hangen. Voor het onbekende slachtoffer, in alle kleuren van de regenboog.
dinsdag 8 juli 2014
De liegende dichter
Batavus Droogstoppel zou vreemd hebben opgekeken als hij het
gedicht 'Ons geheugen' van Bart Moeyaert onder ogen had gekregen. "We
moeten ons geheugen niet aan dichters toevertrouwen", luidt de eerste
regel.
Een modene dichter die het met hem eens is! De makelaar in
koffie - Laurriergracht No 37 -vindt al anderhalve eeuw dat dichters
niet te vertrouwen zijn:
"Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in 't gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en 't is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als 't kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn.Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen."
Met stijgende verbazing zou Drroogstoppel vast moeten stellen dat dichter Moeyaert de hand in eigen boezem steekt. "We kunnen ons geheugen pas aan dichters toevertrouwen als alles is wat is en zij zich aan de feiten houden."
Dichters maken er maar een potje van, ze "schrappen
hele straten voor het rijm", waarschuwt de dichter in een gedicht zonder
verzen, zonder metrum, en met hoogstens hier en daar een beetje rijm. Heel prozaïsch, en in de ogen van Moeyart misschien wel veel geloofwaardiger.
Maar bij Droogstoppel hoeft hij daarmee niet aan te komen, want ook romanschrijvers zijn voor deze 'man van zaken' niet te vertrouwen: "Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe."
Abonneren op:
Posts (Atom)