Deze week sloeg het toeval weer eens toe.
's Ochtends keek ik op van de ontbijttafel toen ik een dofffe bons hoorde. Op het hekwerk van mijn balkon zat een duif, rustig, alsof hij zojuist niet tegen het glas in mijn balkondeuren was gevlogen.
's Middags las ik in een boekhandel de eerste (mooie) anderhalve bladzijdes van Slagschaduw van David Van Reybrouck, opnieuw uitgegeven.
Weer een duif. Weer tegen een ruit, na een achtervolging door een kraai.
"Toen gebeurde het. Net toen de duif helemaal leek te ontsnappen, spatte hij uiteen tegen het terrasraam van het vierde visrestauarant van de Baksteenkaai. Een doffe klap."
donderdag 9 juli 2015
zondag 3 mei 2015
Genot na lijden
In de Volkskrant vertelt Jan van der Liet (88) over zijn verblijf in het 'vergeten' concentratiekamp Neuengamme, in de buurt van Hamburg. Van der Liet was tegen de lamp gelopen toen hij illegale papieren bij zich had. Nadat de Duitsers het kamp hadden ontruimd, lukte het hem om zich bij een Russisch transport aan te sluiten:
"Na een dodenmars van dagen brachten Russische geallieerden hem naar een landhuis aan de Plauer See. Wat hij daar voelde, zegt hij, is niet in woorden te vangen. Een warm bad, schone kleren; een uitgeteerde Hollandse jongen in een Duits tweepersoonsbed. Hij sliep 24 uur. Het was 3 mei 1945; in de spiegel herkende hij zijn eigen gezicht niet meer."
De lotgevallen van Lex van Praag zullen Van der Liet bekend voor zijn gekomen. Onder het pseudoniem Hellema lukte het Van Praag wél heel goed om in woorden te vangen wat hij voelde in omstandigheden die sprekend lijken op wat Van der Liet overkwam, onder meer in zijn verhalenbundel Langzame dans als verzoeningsrite (1982). Dit schrijft hij over zijn hoofdpersoon, die ook Hellema heet en na de oorlog herstelt in het Bezirkskrankenhaus in Wörth an der Donau: "Als ik nog naar de spiegel greep, was het om de dood in mijn gezicht uit te lachen."
Ook voor Hellema was er een dodenmars, na verzetswerk en een lange reeks concentratiekampen. Flossenbürg , in noordoost-Beieren, was de laatste, zo mogelijk nog meer vergeten dan Neuengamme. Ook Hellema, "een onnozele tachtig pond mens", lag uren voor pampus in bed, met ook voor hem de weelde van alledaagse zaken die na maanden van ontbering aanvoelden als de grootste luxe:
"Na een dodenmars van dagen brachten Russische geallieerden hem naar een landhuis aan de Plauer See. Wat hij daar voelde, zegt hij, is niet in woorden te vangen. Een warm bad, schone kleren; een uitgeteerde Hollandse jongen in een Duits tweepersoonsbed. Hij sliep 24 uur. Het was 3 mei 1945; in de spiegel herkende hij zijn eigen gezicht niet meer."
De lotgevallen van Lex van Praag zullen Van der Liet bekend voor zijn gekomen. Onder het pseudoniem Hellema lukte het Van Praag wél heel goed om in woorden te vangen wat hij voelde in omstandigheden die sprekend lijken op wat Van der Liet overkwam, onder meer in zijn verhalenbundel Langzame dans als verzoeningsrite (1982). Dit schrijft hij over zijn hoofdpersoon, die ook Hellema heet en na de oorlog herstelt in het Bezirkskrankenhaus in Wörth an der Donau: "Als ik nog naar de spiegel greep, was het om de dood in mijn gezicht uit te lachen."
Luxe
Ook voor Hellema was er een dodenmars, na verzetswerk en een lange reeks concentratiekampen. Flossenbürg , in noordoost-Beieren, was de laatste, zo mogelijk nog meer vergeten dan Neuengamme. Ook Hellema, "een onnozele tachtig pond mens", lag uren voor pampus in bed, met ook voor hem de weelde van alledaagse zaken die na maanden van ontbering aanvoelden als de grootste luxe:
"Als ik bijkwam had ik alle begrip van plaats en tijd verloren, ja zelfs mijn identiteit kon ik enkele malen slechts met moeite achterhalen. Maar er was een sleutel: de onuitsprekelijke verrukking weer in een gewoon bed tussen schone witte lakens te liggen."
donderdag 12 maart 2015
Tafelmanieren
Zou Luis Buñuel bekend zijn geweest met het werk van W.F.Hermans? Met De tranen der acacia's? Toevallig? Een surrealistisch cineast zou toch benieuwd kunnen zijn naar het werk van een surrealistisch schrijver? Zich er door laten inspireren zelfs, er een idee uit overnemen?
In De tranen der acacia’s vlucht Arthur Muttah na de bevrijding van Amsterdam naar Brussel, naar zijn vader, die zijn laatste illusie vormt. Vader woont in een groot huis vol met mensen en met zijn vrouw Alice. Zij is bedlegerig, maar neemt op een avond wel aan de dinertafel plaats. Arthurs oog valt op haar stoel, “die een fraai bewerkte kist geleek met een leuning eraan”.
Tijdens het eten hoort hij een vreemd geluid, “het geluid of er water in een bak van email liep”. De vreemde stoel van Alice kent dan geen geheimen meer voor hem: “Het was hem ook volkomen duidelijk wat de vreemde stoel moest voorstellen, waarop zij zat. Hij wist niet wat hij moest doen om zelf niet rood te worden in zijn gezicht.”
In De tranen der acacia’s wordt er tenminste nog gegeten aan tafel, maar Buñuel voert het idee van Hermans nog iets verder door, een stuk verder zelfs. In zijn voorlaatste film Le fantôme de la liberté, waarin hij terugkeert naar het surrealisme, is de eettafel niet een plek voor een diner, maar voor conversatie. En ontlasting.
In De tranen der acacia’s vlucht Arthur Muttah na de bevrijding van Amsterdam naar Brussel, naar zijn vader, die zijn laatste illusie vormt. Vader woont in een groot huis vol met mensen en met zijn vrouw Alice. Zij is bedlegerig, maar neemt op een avond wel aan de dinertafel plaats. Arthurs oog valt op haar stoel, “die een fraai bewerkte kist geleek met een leuning eraan”.
Tijdens het eten hoort hij een vreemd geluid, “het geluid of er water in een bak van email liep”. De vreemde stoel van Alice kent dan geen geheimen meer voor hem: “Het was hem ook volkomen duidelijk wat de vreemde stoel moest voorstellen, waarop zij zat. Hij wist niet wat hij moest doen om zelf niet rood te worden in zijn gezicht.”
In De tranen der acacia’s wordt er tenminste nog gegeten aan tafel, maar Buñuel voert het idee van Hermans nog iets verder door, een stuk verder zelfs. In zijn voorlaatste film Le fantôme de la liberté, waarin hij terugkeert naar het surrealisme, is de eettafel niet een plek voor een diner, maar voor conversatie. En ontlasting.
zondag 21 december 2014
Tessa snoof aan mij
Ik heb Tessa ook ontmoet, al wist ik toen nog niet dat het Tessa was. Tessa, van Marius, uit Godin, Held van Gustaaf Peek. In het begin van de roman, zo tegen het einde van haar leven, neemt ze uit wanhoop de tram, op zoek naar contact, naar aanraking. Ze stuit op een man in het gangpad.
"De man was groot en warm en gaf een geur af van slaap, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn ongewassen haren niet maskeren. (...) Ze wentelde haar wangen en neus in de stof van zijn kleren, de kastgeur van zijn jas, haar ogen gesloten, de duisternis en geur en wol en zijn warmte daaronder en haar handen even, nog even om hem heen."
Ik ontmoette Tessa bij de verkeerslichten, ik zal precies zeggen waar, ik ben geen schrijver, dit is echt gebeurd. Op het Wouter van Doeverenplein in Den Haag, waar de Van Alkemadelaan uitloopt op de Benoordenhoutseweg. Bij Nirwana, de eerste torenflat van Nederland. Het verkeerslicht op rood, voorbijrazende auto's, op weg naar het strand.
Ze stond ineens naast me en sprak me aan. Een klein verschrompeld vrouwtje, met een dikke jas aan. Op deze stralende zondagmiddag was ze gaan wandelen, maar nu was ze de weg kwijt. Of ik misschien wist waar het rusthuis was waar ze woonde? Dat wist ik wel, en zij natuurlijk ook.
Tessa zocht geen bejaardenhuis, ze zocht contact, aanraking en stuitte op een man die breed was en klam en die een geur afgaf van zee, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn druipende oksels niet maskeren. Ze draaide haar voorhoofd over de stof van zijn T-shirt, de ammoniakgeur van zijn zweet, haar ogen gesloten, het zonlicht en geur en katoen en zijn hitte daaronder en haar hoofd even, nog even tegen zijn borst.
"De man was groot en warm en gaf een geur af van slaap, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn ongewassen haren niet maskeren. (...) Ze wentelde haar wangen en neus in de stof van zijn kleren, de kastgeur van zijn jas, haar ogen gesloten, de duisternis en geur en wol en zijn warmte daaronder en haar handen even, nog even om hem heen."
Ik ontmoette Tessa bij de verkeerslichten, ik zal precies zeggen waar, ik ben geen schrijver, dit is echt gebeurd. Op het Wouter van Doeverenplein in Den Haag, waar de Van Alkemadelaan uitloopt op de Benoordenhoutseweg. Bij Nirwana, de eerste torenflat van Nederland. Het verkeerslicht op rood, voorbijrazende auto's, op weg naar het strand.
Ze stond ineens naast me en sprak me aan. Een klein verschrompeld vrouwtje, met een dikke jas aan. Op deze stralende zondagmiddag was ze gaan wandelen, maar nu was ze de weg kwijt. Of ik misschien wist waar het rusthuis was waar ze woonde? Dat wist ik wel, en zij natuurlijk ook.
Tessa zocht geen bejaardenhuis, ze zocht contact, aanraking en stuitte op een man die breed was en klam en die een geur afgaf van zee, het zoet dierlijke van zijn eau de toilette kon zijn druipende oksels niet maskeren. Ze draaide haar voorhoofd over de stof van zijn T-shirt, de ammoniakgeur van zijn zweet, haar ogen gesloten, het zonlicht en geur en katoen en zijn hitte daaronder en haar hoofd even, nog even tegen zijn borst.
dinsdag 16 december 2014
Dagobert Duck ontraadselt de taal
Het fascinerende van taal: wie heeft al die woorden bedacht? Ergens ver weg in de tijd, toen mensen door kregen dat je met 'uh' linksaf kon bedoelen en met 'ah' rechtsaf, doken de eerste woorden op. Toen eenmaal het wiel was uitgevonden, moest daar natuurlijk ook nog een woord bij, zodat wielrijders tegen elkaar konden zeggen: "Er zit een slag in je wiel!"
Je kunt zover teruggaan als je wilt langs de stroom van de tijd, maar de bron van de taal zul je nooit vinden. Die houdt zich verborgen in klanken die al lang zijn verwaaid in winden waarvan ook niemand meer weet.
Al haast even fascinerend: tegenwoordig is de oorsprong van woorden vaak wel te achterhalen. Dat komt natuurlijk door internet, waarop alles voor eeuwig bewaard blijft, en het nog terug te vinden is ook. Het Nederlandse woord van vorig jaar was 'selfie'. Dat woord was al meer dan tien jaar oud: in 2002 werd het voor het eerst gebruikt door een Australiër die een foto van zijn gescheurde lip op een internetforum zette. Hij noemde het - u raadt het al - een 'selfie'.
Dagobertducktaks
Ook van het Nederlandse woord van het jaar 2014 is eenvoudig te achterhalen waar het vandaan komt. Het is ook een veel jonger woord en het komt van veel minder ver weg: uit Woerden. Daar zit vakcentrale FNV, waar ze deze zomer de liberale jaloeziebelasting omdoopten tot Dagobertducktaks.
Met succes dus, want binnen een paar maanden lag het op iedereens lippen, met dank aan de nominatie voor woord van het jaar door Van Dale. En met dank aan al die FNV-leden, die natuurlijk massaal op hun eigen woord stemden.
Volgend jaar maar weer een woord met een raadselachtige oorsprong. U kunt vanaf vandaag inzenden.
dinsdag 11 november 2014
Met Michel Faber de natuur in
Het moet ergens in Spanje zijn geweest: die spoorlijn die zich hoog boven mijn hoofd majestueus een berg in boorde. Ik reed op een weg die zich door een prachtig berglandschap kronkelde en ik dacht: "Met een menselijke ingreep is de natuur op haar mooist."
Daar komt nog bij: zou ik ooit van het uitzicht over het Naardermeer hebben genoten als er geen spoorlijn doorheen liep?
Ik lees de eerste bladzijde van The Book of Strange New Things van Michel Faber. Man en vrouw in auto op donkere weg.
De man zegt: "The world looks nicer with man-made lights." Inderdaad. Ik sla de bladzijde om.
"But we wouldn't enjoy the world half as much if we - man - hadn't put electric lights all over it."
The Book of Strange New Things is te dik om in de boekhandel even uit te lezen. Geen idee hoe het verder gaat (wel onheilspellend: alweer een lifter langs de weg aan het begin van een boek. Zie: Under the skin). Maar Faber schiep wel een hoofdpersoon met visie.
Daar komt nog bij: zou ik ooit van het uitzicht over het Naardermeer hebben genoten als er geen spoorlijn doorheen liep?
Ik lees de eerste bladzijde van The Book of Strange New Things van Michel Faber. Man en vrouw in auto op donkere weg.
De man zegt: "The world looks nicer with man-made lights." Inderdaad. Ik sla de bladzijde om.
"But we wouldn't enjoy the world half as much if we - man - hadn't put electric lights all over it."
The Book of Strange New Things is te dik om in de boekhandel even uit te lezen. Geen idee hoe het verder gaat (wel onheilspellend: alweer een lifter langs de weg aan het begin van een boek. Zie: Under the skin). Maar Faber schiep wel een hoofdpersoon met visie.
maandag 4 augustus 2014
Ochtendkrant
“Ik zie je”, zei Joost toen hij voorgoed uit haar leven verdween. Ik zie je, maar ze had hem nooit meer gezien en het nooit meer over hem gehad. Zeker niet met Freek, die niet veel later in haar leven was verschenen. Freek had de pest aan al haar vroegere vriendjes.
Pas jaren later dook Joost weer op, in de krant die Maria las bij haar ontbijt. Jozias Adrianus Maria Verschoten, las ze en: na een moedig gedragen ziekbed, geen bloemen.
Door haar tranen zag ze de letters in elkaar overlopen, een druppel viel uit haar neus. Ineens stond Freek achter haar. “Schatje, je lekt.”
Een haastige kus naast haar oor en weg was hij, nog voor Maria kon zeggen: “Ik zie je.”
(Een roman 11-149 zoals voorgelezen in De Taalstaat van Frits Spits, 26 juli 2014)
Abonneren op:
Posts (Atom)