zondag 25 mei 2014

De terugkeer van de stoel


(De Amerikaanse volksvertegenwoordiger Paul Ray kwam ook nog met het vuurpeloton aanzetten als "waarschijnlijk de meest humane manier om iemand te doden". Menselijk. Hij kon wel eens gelijk hebben: dieren schieten elkaar niet dood.)

In Tennessee hebben ze vast niet Roundhay, tuinscène gelezen van Marente de Moor. Zij laat zien hoe de doortrapte uitvinder Thomas Edison de elektrische stoel gebruikte om zijn concurrent George Westinghouse zwart te maken. Westinghouse pleitte voor gebruik van wisselstroom (AC), Edison was voor zijn eigen gelijkstroom (DC).

In deze War of Currents wilde Edison zijn concurrent een belangrijke slag toebrengen door te laten zien hoe gemakkelijk een terdoodveroordeelde met de gevaarlijke wisselstroom aan zijn einde geholpen zou kunnen worden. Dronkelap William Kemmler had zijn liefje met een bijl vermoord. Hij werd in 1890 het eerste slachtoffer van de elektrische stoel (ook humaan: de veroordeelde hoefde niet staand te sterven, vandaar die stoel).

In zijn roman Flitsen staat Jean Echenoz uitvoeriger stil bij deze primeur. Na een eerste stroomstoot blijkt Kemmler nog te leven, dus volgt een tweede:

"(...) algauw verspreidt zich dan een sterke geur van geroosterd vlees, terwijl er lange vonken uit Kemmlers ledematen tevoorschijn schieten, zijn overvloedige zweet verandert allengs in bloed, er begint een dikke rookwolk uit zijn hoofd op te stijgen en zijn ogen proberen met succes uit hun kassen te ontsnappen, totdat er geen twijfel meer bestaat aan zijn overlijden, dat officieel wordt vastgesteld  door een gerechtelijk geneeskundige."

Westinghouse merkte op dat de beul beter een bijl had kunnen gebruiken. Misschien moet Tennessee maar eens nadenken over het oplappen van de guillotine.



dinsdag 6 mei 2014

Deus in machina

Secondenlang staat Noach in de film van Darren Aronofsky met een mes boven zijn twee pasgeboren kleindochters. Hij moet ze doden. Dat is de wil van God. God heeft het helemaal gehad met de zondige mens. Ze moeten tot het laatste exemplaar verdwijnen.

Denkt Noach. Hij heeft zijn familie uitgelegd dat zij de laatste mensen op aarde zijn.



Maar de plotselinge vruchtbaarheid van Noachs schoondochter en de geboorte van een tweeling dreigen roet in het eten te gooien. Zij vormen een bron van nieuw leven. Hun bestaan is strijdig met de wil van God. Dus staat Noach daar met dat mes in zijn hand, bovenop de ark.

Die seconden met dat mes boven de tweeling moeten natuurlijk uren duren in de film. Spannend!

Moraal

Maar echt spannend wordt het geen moment. Natuurlijk doodt Noach zijn kleinkinderen niet. Hij heeft liefde in zijn hart gevoeld, hij bergt het mes weer weg.

Noach trotseert de wil van God. Hij laat God in de machine. Gelukkig maar, vindt de bioscoopbezoeker van nu: Noach doet goed. De moraal kan zonder God.

Maakt dat Noach tot een beter mens, of op zijn minst, een moderner mens dan Abraham? Zijn geloof stelde God op de proef door hem op te dragen zijn zoon Isaäk te offeren. De godvrezende Abraham bindt zijn zoon op een brandoffer en heft zijn mes op hem te slachten.

Spannend! Zou Abraham net als Noach de liefde in zijn hart voelen? Vast wel. Maar het is niet uit de goedheid van zijn hart dat Abraham zijn zoon spaart. Het is God die ingrijpt. De deus ex machina krijgt gestalte in een engel die Abraham weerhoudt van het offer. Uiteindelijk raakt God ervan overtuigd dat Abraham ontzag voor Hem heeft: het offer is niet meer nodig (waarom de alwetende God dit bewijs nodig had, laat de schrijver van Genesis wijselijk in het midden).

Bijbelvast

Noach had God dus niet nodig om zijn kroost te sparen, Abraham wel. Maakt dat Abraham tot een vroom maar onbarmhartig mens en Noach tot een goddeloze moderne held?

De vraag zou helemaal niet aan de orde zijn geweest als Darren Aronofsky wat dichter bij de bijbeltekst was gebleven. God wil de mensen verdelgen, staat er in Genesis. Maar Hij maakt uitdrukkelijk een uitzondering voor de rechtvaardige Noach. Als de zon weer schijnt zegt God dat Noach en zijn nakomelingen de aarde moeten bevolken. Noach en zijn gezin zijn dus niet de laatste mensen.

Als Aronofsky zich hierbij gehouden had, zou zijn film bijbelvaster zijn geweest - al doet dat er natuurlijk niet toe: zijn film was er niet van opgeknapt. Maar belangrijker: Noah zou ook een stuk logischer zijn geweest - wat de film zeker goed had gedaan. Als Noach zichzelf en zijn gezin echt als de laatste mensen zag, had hij zijn ark alleen maar voor de dieren hoeven te bouwen. Zelf had hij dan gewoon in de zondvloed ten onder kunnen gaan.

Maar een Hollywoodfilm heeft een held, een moreel dilemma en een goede afloop nodig. Misschien moet Aronofsky het leven van Abraham maar eens gaan verfilmen. Compleet met deus ex machina.






vrijdag 25 april 2014

De zinloze feiten van Bril en Reve


Martin Bril voelde zich als columnist nauw verwant met de journalistiek, schrijft Coen Verbraak in zijn portret in Vrij Nederland. "Wat hij in zijn columns schrijft, moet echt gebeurd zijn."

De werkelijkheid die het verhaal  dicteert. Een schrijver heeft daar natuurlijk geen last van. Als er al een werkelijkheid is die zich aan hem opdringt, heeft hij alle vrijheid de feiten naar zijn hand te zetten.

Zo niet Gerards Kornelis van het Reve. Hij zou Brils trouw aan de werkelijkheid met instemming hebben begroet. In 'Brief in een fles gevonden', de laatste brief uit Op Weg Naar het Einde, doet hij uitgebreid verslag van de Onrechtmatige Penetratie Van Zinloos Feit, kortweg Zinloos Feit, want zo doet de onvermijdelijke werkelijkheid zich aan hem voor.

Simpelste voorbeeld: het verhaal over twee poesjes dat hij wil schrijven. Een van de twee poesjes is doodgereden door een auto. Een Zinloos Feit dat het hem onmogelijk maakt het verhaal te schrijven dat hij voor ogen had.

Dan verzint hij dat tweede poesje er toch gewoon bij? Kan niet, vindt Van het Reve, "want het verhaal zou dan een uitsluitend door het koude, duivelse verstand ineengezet bedenksel worden."

Een bedenksel, een schrijver die iets verzint, dat kon voor Van het Reve niet door de beugel. Verzinsels doen afbreuk aan de Goddelijke schepping.

Bril zal dat worst zijn geweest. Die had niets te maken me e God van Reve en de Paus. Bril vreesde de lezer die erachter zou  komen dat hij een loopje met de werkelijkheid had genomen. "Dat is een regelrechte afgang." Voor Bril was de lezer de God die hij moest vrezen.

Trouwens: zowel Bril als Van het Reve worstelden met de werkelijkheid in respectievelijk de column en de brief, genres die voor beiden een uitkomst waren nadat ze er jaren over hadden gedaan om zich te (her)ontdekken als schrijver.

woensdag 16 april 2014

Belegen Wenen, chique Bezuidenhout

Peter Buwalda vertelde HP/DeTijd dat hij Wenen "een verrassend hippe stad" vindt. "Het heeft weliswaar een belegen reputatie, maar op straat merkte ik daar weinig van."
Belegen reputatie? Waar komt die dan vandaan? Spaanse rijscholen? De familie Strauss misschien? Kwam die uit Wenen? Iets met André Rieu en violen? Sissi?
Ik zou het het niet weten, maar inderdaad: aan Wenen zit iets stoffigs, ook al weet geen mens waar dat stof vandaan komt.
Wenen is een merk: belegen, maar ook sterk, want een goed merk is sterk, ijzersterk, en gaat jaren mee. 



Ik woon in Bezuidenhout. Chic, hoor je nog wel eens. Dat is niet zo. Voor de oorlog woonden veel Bezuidenhouters op stand, inderdaad: chic, maar sinds het bombardement van 3 maart 1945 staan er van die mooie huizen nog maar een paar overeind.
Bezuidenhout is ook een merk, kennelijk, en een slijtvast merk ook. En Haags natuurlijk, Van Dale heeft het bij het lemma 'chic' nog steeds over de Haagse chic. Dus geldt Bezuidenhout ook nog altijd als chic, al is de wijk net zo chic als Wenen belegen is.


Divan

Een imago dat eenmaal is opgebouwd, wordt niet snel gesloopt. Ik was ook eens in Wenen, en er was wel een Hofburg en een museum met stoffige kunst en die Lipizzaners stonden vast wel ergens op stal. Maar verder? Er lopen gewoon jongelui over straat, ze dronken coole koffies in trendy cafés. Geen heren met snorren, gezien of dames met lagen rokken en hoedjes. Geen divan.

Een eeuw geleden was Wenen ook al hip. Wenen stond vol met Nieuwe Kunst en nog altijd staat er het gebouw van de Secession. Nu ook allemaal alweer redelijk truttig, maar een eeuw geleden heel eigentijds.

Maar de modernste Wiener van die tijd had een bloedhekel aan die Art Nouveau. Architect Adolf Loos bouwde strakke gebouwen, zonder 'misdadige krullen. Ornament und Verbrechen heette zijn beroemde lezing. Hoe meer krullen, hoe sneller een gebouw uit de tijd zou raken.

Krulloos is modern, functioneel heet dat nog steeds. Al die krullen waren hip, maar snel uit de tijd. Als Wenen zijn belegen reputatie al achter zich wil laten, dan lukt dat zeker niet door hip te zijn.


donderdag 20 maart 2014

Minder Marokkanen of een totale oorlog?

De Duitsers weten daags na onze gemeenteraadsverkiezingen wel raad met Geert Wilders. Vier jaar geleden schreef ik in dit blog al over de Süddeutsche Zeitung die in Wilders' woorden een echo uit het bekende Nazilied  Es zittern die morschen Knochen meende te horen.

Vier jaar later gaat het Duitse persbureau DPA daar nog eens dunnetjes overheen. Tijdens de verkiezingsavond zou Wilders een retorische figuur hebben toegepast die herinnert aan een beruchte toespraak van Hitlers spreekstalmeester Joseph Goebbels.

Wilders' verkiezingstoespraak culmineerde in de vraag of zijn toehoorders meer of minder Marokkanen wilden. Minder, luidde het vooropgezette antwoord. Goebbels kreeg ook het verwachte antwoord toen hij in 1943 zijn publiek in het Sportpalast in Berlijn vroeg of ze de Totalen Krieg wilden.


donderdag 25 juli 2013

Een lief oogje in de grote stad

Al die meisjes die Nescio en zijn Titaantjes en zijn Dichtertje langs zien komen, in de Sarphatistraat, in lijn 2 op de Nieuwezijds Voorburgwal. En op een perron in Uitgeest. "Wat een lief oogje", denkt hij in 'Een lange dag' (uit Mene Tekel). Ze stapt natuurlijk juist niet in de trein waarin hijzelf heeft plaatsgenomen.

"Vreemd, zoo'n meisje, dat je één zoo'n keer even ziet en nooit meer. Daar kan ik nu beroerd van worden, te denken dat je nooit meer bij elkaar kan komen, al zou je allebei willen."

Zou Nescio Piet Paaltjes gelezen hebben? Dan had hij haar naam geweten, want het gedicht van Paaltjens over dat onbereikbare meisje in de trein heet 'Aan Rika'.

"Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein
Waar ik mee reed passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn."


Of misschien had Nescio wel dat gedicht van Kurt Tucholsky gelezen, 'Augen in der Großstadt':

"Wenn du zur Arbeit gehst
am frühen Morgen,
wenn du am Bahnhof stehst
mit deinen Sorgen:
da zeigt die Stadt
dir asphaltglatt
im Menschentrichter
Millionen Gesichter:
Zwei fremde Augen, ein kurzer Blick,
die Braue, Pupillen, die Lider -
Was war das? vielleicht dein Lebensglück...
vorbei, verweht, nie wieder."


Maar Gisela May, die heeft Nescio toen zeker niet horen zingen:


maandag 22 juli 2013

De grote, koude, rode zon in de Leie

De kunstenaar die niet krijgt wat i wil: die grote, koude rode zon op zijn witte doek. Bavink dus, herinnert de "wijs en bedaard" geworden Koekebakker zich in Nescio's Titaantjes:

"Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte: 'God, God, dat schilder ik nooit.'"

Hij had het bij het rechte eind:

"Bavink heeft 't tegen die 'Godverdomde dingen' afgelegd. De dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: 'dan moet 't ook maar gebeuren', dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken, toen de strijd al op ' t eind liep."

Onmacht
De onmacht van de schilder, in de woorden van een schrijver die het ook probeerde: het licht en het water van zijn land te vangen, en dan precies zo dat het zijn gemoedstoestand weerspiegelde. Slaagde Nescio waar Bavink faalde? Hij werd niet mal en we lezen hem nog steeds.

Komt t omdat Nescio beter schreef dan Bavink schilderde? Of legt het beeld het altijd af tegen het woord? In haar gedicht 'Zomereinde aan de Leie' vraagt Miriam van Hee zich af hoe een schilder de gedachten, afstanden en herinneringen weergeeft die zij haast in een moeite door met een paar woorden optekent:

dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen

het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep

hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand


(uit: ‘Buitenland’, De Bezige Bij, 2007)

Maar de taal - is die dan altijd toereikend? Hans Andreus vond van niet, schreef hij in de eerste twee regels van 'Luisterapparaat'.

"Er is geen naam die klopt,
geen woord dat niet vroeg of laat uiteenvalt."

De dichter doet zijn werk, maar kent zijn beperkingen:

"het beste woord dat ik kan geven is
een luisterapparaat voor een geweldige stilte."